De Geschiedenis van Vlaanderen komt weldra in boekvorm uit. Daarom zijn de 36 delen offline gehaald op vraag van de auteur.
Ik zal proberen een alternatief te bieden, weliswaar in een ander kleedje gegoten.
De Geschiedenis van Vlaanderen loopt van de Romeinse tijd tot het eind van de 14de eeuw wanneer Vlaanderen verdwijnt als zelfstandige staat.
Na deze periode is Vlaanderen achtereenvolgens onder Bourgondische, Habsburgse, Spaanse, Oostenrijkse en Franse bewinden gevallen om in 1830 als Belgisch Vlaanderen te eindigen.

Deze verschillende perioden worden hier uitvoerig besproken.

dinsdag 30 oktober 2012

De Brabantse Omwenteling


Brabantse driekleur

De Brabantse Revolutie of Brabantse Omwenteling was een opstand van de Zuidelijke Nederlanden in 1789 en 1790 tegen het Oostenrijkse gezag van keizer Jozef II. Hij begon in het gewest Brabant met de Slag bij Turnhout, maar breidde zich al heel snel uit over Vlaanderen, en nadien ook -zij het iets lauwer- in Henegouwen, Namen en het oude Limburg.
Deze opstand leidde tot het kortstondig bestaan van een republiek, de Verenigde Nederlandse Staten, onder leiding van Hendrik van der Noot.

 
Hendrik Karel Nicolaas van der Noot (Brussel, 7 januari 1731 - Strombeek, 12 januari 1827) was een Brabantse rechtsgeleerde, advocaat en politicus. Hij was één van de hoofdrolspelers van de Brabantse Omwenteling (1789-1790) tegen het Oostenrijkse gezag (keizer Jozef II). Deze omwenteling leidde tot de kortstondige oprichting van de Verenigde Nederlandse Staten (11 januari 1790 - december 1790).
Twee advocaten, Jan Frans Vonck en Hendrik Van der Noot waren de leiders van de opstand maar vertegenwoordigden elk een andere strekking. De Vonckisten inspireerden zich op de Franse Revolutie (1789 - 1799) en zochten aansluiting bij het volk en het leger van de patriotten. De Statisten van Van der Noot zochten het eerder bij de oude vrijheden van de Staten en zochten aansluiting bij de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën.

 
In tegenstelling tot Vonck, die meende dat het Zuid-Nederlandse volk zelf de strijd moest voeren tegen de despoot, had Van der Noot veel meer vertrouwen in buitenlandse steun. Zo verliet Van der Noot in 1788 het land om in Engeland, Nederland en Pruisen belangstelling voor de zaak van de Brabantse vrijheid te wekken. Alleen Pruisen, dat juist in 1787 de Nederlandse patriotten had verslagen, was geneigd de Belgische patriotten te steunen. Pruisen was op dat moment immers anti-Oostenrijks. Bij de raadpensionaris van Holland, Laurens Pieter van de Spiegel had Van der Noot minder succes.
Het zijn Van der Noot en generaal Vander Meersch die in oktober 1789 met een patriottenleger vanuit Breda de hele provincie Brabant veroverden. In de eerste veroverde (of bevrijde) gemeente, Hoogstraten, publiceerde Van der Noot op 24 oktober 1789 zijn Manifest van het Brabantse Volk. Het document legt uit waarom het Brabantse volk het recht heeft om de gehoorzaamheid op te zeggen. Het belangrijkste argument is dat de wil van de natie de hoogste wet is, en als die geschonden wordt door een heerser, dan mag de natie tegen die heerser dus in opstand komen. Achtereenvolgens werden in twee maanden Turnhout, Gent en Brussel veroverd. Het jaar daarop werd Van der Noot het hoofd van de nieuwe confederale Zuid-Nederlandse republiek.
Toen Pruisen de opstandelingen in de steek liet na het sluiten van de Conventie van Reichenbach (27 juli 1790) met Oostenrijk, moest Van der Noot naar Holland vluchten en daarna naar Engeland. In 1792 deed hij een oproep om samen te werken met de Franse bezetter (1794 - 1815). Hij keerde terug naar Brabant, maar werd in 1796 aangehouden.
Zijn grafsteen bevindt zich in de hofmuur van de pastorie van de Sint-Amandsparochie in Strombeek-Bever, het parkje aan de overkant is naar hem vernoemd.
Van der Noot was sinds 1757 formeel toegelaten tot de Brusselse oligarchie, met name tot het geslacht Sweerts, en was lid van de vrijmetselaarsloges l'Union Bruxelles en Les Vrais Amis de l'Union Bruxelles.

Manifeste des Brabançons



Manifeste des Brabançons contre l’empereur

Le peuple brabançon, par l’organe de l’Etat ecclésiastique et du troisième membre des trois chefs-villes, conjointement avec plusieurs membres de la noblesse : A tous ceux qui les présentes verront ou lire ouïront : Salut.

Comme nous nous sommes trouvés dans la dure nécessité de déclarer l’Empereur Joseph II, duc de Lothier, de Brabant et de Limbourg, déchu de la souveraineté, des domaines, des hauteurs et prérogatives desdits pays ; il est de notre devoir indispensable d’exhorter et de recommander à tous en général, et à un chacun en particulier, de concourir au bien-être commun et au salut de la patrie; en conséquence, nous défendons très expressément à qui que ce soit, de se liguer avec ceux du gouvernement du ci-devant duc, ou avec le ci-devant duc lui-même, sous peine d’être punis comme ennemis de la patrie. Nous défendons pareillement de troubler le repos et la tranquillité publique, sous quelque prétexte que ce soit, pareillement sous peine d’être poursuivis et punis comme ennemis de la nation. Nous exhortons tous et quelconques citoyens, capables de porter les armes pour la défense de la liberté de la nation et pour le salut de la patrie, de s’annoncer aux chefs établis et connus, pour, ensuite des renseignements qui leur seront donnés, se rendre à l’endroit ou lieu qui leur sera désigné, et s’y soumettre entièrement aux ordres qui leur seront donnés. Au contraire, nous interdisons les attroupements quelconques, qui pourraient tendre au pillage : déclarons en outre, que tous ceux qui auront pillé ou attenté de piller quelque maison, boutique, ou partie de maison de qui que ce soit, fût-ce même d’un ennemi de la patrie, seront également punis comme ennemis de la patrie. Nous déclarons, que tous ceux qui trameront quelque complot ou tiendront quelques discours tendant à favoriser le plan despotique du ci-devant duc, seront punis rigoureusement comme perturbateurs de la tranquillité publique et ennemis de la patrie.

Mandons et ordonnons, que les présentes soient imprimées, publiées et affichées dans la province de Brabant et pays en dépendant, et lieux accoutumés, et partout où besoin sera ; afin qu’elles soient connues, et que personne n’en puisse prétexter cause d’ignorance. Donnons en mandement à tous ceux qu’il appartiendra, d’observer et faire observer le contenu des présentes ; car ainsi l’exige le bien-être et le salut de la patrie. Et vu que les sceaux et cachet des Etats ont été saisis par force et violence de la part du ci-devant duc de Brabant, et que nous avons autorisé par notre manifeste de ce jour notre agent plénipotentiaire de se servir du cachet de ses armes, pour tenir lieu des sceaux et cachet des Etats, jusqu’à ce que ceux-là seront en notre pouvoir, nous avons muni celles-ci dudit cachet.

Fait en Brabant à Hoogstraeten, le 24 octobre 1789. Etait signé, H.C.N. van der Noot, qq.

(Texte paru dans les Annales Patriotiques et Littéraires du mardi 17 novembre 1789. Le journal commentait : L’énergie républicaine se montre dans cette pièce. Rien de vague, d’inutile, ni d’oiseux. L’esprit de la liberté ne connaît point les phrases, et il est à croire que l’avocat Van der Noot, l’âme et le chef de cette généreuse insurrection, sera regardé comme le libérateur des Brabançons. Ils sont disposés à vaincre ou à mourir. Il n’y a point de réponse quand on en appelle ainsi à son courage et à la victoire. Mais après une telle démarche, on peut être persuadé que les Brabançons comptent sur des forces suffisantes de la part de quelques puissances rivales de leur oppresseur.)
 
Keizerlijke staatsgreep
 
De Vrede van Utrecht, die in 1713 het Oostenrijkse gezag over de zuidelijke Nederlandse provincies vestigde, bepaalde dat de vorst alle charters zou respecteren. In weerwil daarvan wilde Jozef II, na de dood van zijn moeder, de Oostenrijkse Nederlanden snel uniformiseren en centraliseren. Op 1 januari 1787 vaardigde hij een aantal edicten uit die het bestuurlijk en gerechtelijk apparaat volledig hervormden en de staatsmacht versterkten. De zelfstandige Nederlandse provinciën zouden worden vervangen door 9 kreitsen en 35 districten. Ook alle verschillende rechtbanken zouden worden vervangen door een eenvormig juridisch stelsel (met een Nederlandstalig beroepshof in Brussel en een Frans- en Duitstalig in Luxemburg). De Staten van Henegouwen en Brabant reageerden het felst door goedkeuring van belastingen te weigeren. De landvoogden zwichtten en schortten in mei 1787 de invoering van de edicten op, maar de keizer wilde volharden in zijn plannen. Brabant en Henegouwen volhardden eveneens in hun verzet tegen de belastingen, ten gevolge daarvan verklaarde de keizer op 7 januari 1789 niet meer gebonden te zijn door hun charters (voor Henegouwen een gewoonterecht, voor Brabant een geschreven charter, de Blijde Inkomst).

Opstand en ineenstorting van het regeringsleger
 
Nu vonden de behoudsgezinde reacties op de hervormingen van de keizer, die vooral leefden bij de geestelijkheid en het volk, en democratische opvattingen, die vooral ingang vonden bij de nieuwe burgerij, elkaar. Het herstel van de oude grondwet van Brabant bood de partijen een gemeenschappelijk doel. In mei 1789 werd het geheime genootschap Pro aris et focis (voor outer en heerd) opgericht. Van der Noot verzamelde een legertje in Staats-Brabant. Onder leiding van generaal Vander Mersch trok dat Keizers-Brabant binnen. In de eerste veroverde (of bevrijde) gemeente, Hoogstraten, publiceerde Van der Noot op 24 oktober 1789 zijn Manifest van het Brabantse Volk. De opstandelingen namen Turnhout in, waar de inwoners zelf een tegenaanval van het keizerlijke leger afsloegen in de Slag bij Turnhout (1789). Daarop volgde de belegering van andere strategische steden.

Standbeeld van generaal J.A. Van der Mersch in Menen
 
Op 13 november namen opstandige troepen bij verrassing Gent in enkele dagen later volgden Tienen en Diest. Op 17 november verlieten de landvoogden Brussel, samen met Oostenrijkse overheden en ambtenaren. De veelal in het land zelf gerekruteerde soldaten deserteerden massaal uit het regeringsleger. De keizer deed nog een verzoeningspoging door de Henegouwse en Brabantse charters te herstellen. Op 10 december kwamen de bevolking van Brussel en de boeren van de omliggende gemeenten in opstand. De restanten van het leger trokken zich terug op de citadels van Luxemburg en Antwerpen. Het garnizoen van Antwerpen gaf zich over op 29 maart van het volgende jaar.
 
Verenigde Nederlandse Staten
 
Op 18 december deed het Comité van Breda zijn intrede in het met de Brabantse driekleur bevlagde Brussel. Alle Staten, met uitzondering van die van Luxemburg, verklaarden zich onafhankelijk en verenigden zich op 11 januari 1790 in de Verenigde Nederlandse Staten. Elke provincie behield zijn soevereiniteit maar droeg de gemeenschappelijke belangen over aan het Congres, dat in feite de voortzetting van de Staten-Generaal is.
 
De opstandelingen bleken het al spoedig diep met elkaar oneens. De regering was in handen van Van der Noot en de behoudsgezinden beheersten de Staten van Brabant, waarin de Brabantse steden (Brussel, Antwerpen, Leuven) een doorslaggevende rol spelen. Hun tegenstanders, de Vonckisten, vonden meer aanhang in de provincie Henegouwen en vooral in Vlaanderen. Deze laatsten willen een democratische, centrale staat en laadden de verdenking op zich een constitutionele monarchie naar Frans model te prefereren, mogelijk opnieuw onder de Oostenrijkse vorst. Van der Noot daarentegen trachtte de staten te consolideren en zocht buitenlandse steun bij Pruisen, dat sinds november 1789 troepen in het prinsbisdom Luik had en daarmee min of meer de Luikse Revolutie steunde. Van der Noot rekende ook op de Verenigde Provinciën, maar die waren niet meer de mogendheid die zij aan het begin van de eeuw nog waren. Nadat veel belastingen onder druk van het volk waren afgeschaft, bleek het ook niet gemakkelijk geld te vinden voor een behoorlijk leger.
 
Portret van keizer Leopold II in veldmaarschalksuniform, ca. 1790.
Keizer Leopold II
 
Henri Pirenne
 
Jozef II stierf op 20 februari 1790 en werd opgevolgd door de tactvolle Leopold II. Toen Pruisen de opstandelingen in de steek liet na het sluiten van de Conventie van Reichenbach (27 juli 1790) met Oostenrijk, mislukte de opstand en Oostenrijk kon zijn gezag met zachte middelen (herstel van de grondwetten, algemene amnestie) en lichte militaire druk herstellen. Dit was de Eerste Oostenrijkse Restauratie. Sommige historici (bijvoorbeeld Henri Pirenne) zagen hierin een uiting van een "Belgisch" nationaal gevoel en een voorbode van de Belgische Revolutie van 1830. 
 
 
 
 

maandag 29 oktober 2012

Onder Oostenrijks bewind: Eugenius van Savoye en Maria Elisabeth van Oostenrijk


Eugenius Frans, prins van Savoye-Carignan

File:Signature Eugenio von Savoy.png
Drietalige handtekening van Eugenio Von Savoy 
 
Eugenius Frans, prins van Savoye-Carignan (Parijs, 18 oktober 1663 - Wenen, 24 april 1736) was een van oorsprong Franse generaal, met Italiaanse voorouders, in dienst van de Habsburgse monarchie. Prins "Eugenio von Savoy" zoals hij zichzelf noemde, was in dienst van drie Habsburgse keizers Leopold I, Jozef I en Karel VI van het Heilige Roomse Rijk. Hij reisde kriskras door Europa van het ene naar het volgende oorlogstafereel. In Oostenrijk wordt hij gezien als de grootste generaal aller tijden en een ondoorgrondelijk militair genie.
Eugenius was niet alleen een van de succesvolste militaire bevelhebbers in de moderne Europese geschiedenis, maar ook een belangrijke verzamelaar van boeken, handschriften, prenten en schilderijen en correspondeerde met kunstenaars, architecten, en wetenschappers. Hij bezat een grote collectie exotische planten en dieren en gaf opdracht tot de bouw van het Slot Belvedere in Wenen.(foto)

File:Belvedere-Vienna.jpg

Eugenio werd geboren in Parijs als vijfde zoon van Eugenius Maurits van Savoye-Carignano, graaf van Soissons, een prins uit het Huis Savoye die in de Hollandse Oorlog had gevochten. Zijn moeder was de lichtzinnige en gokverslaafde Olympia Mancini, een nicht van kardinaal Mazarin. Zijn vader stierf jong (1673) en toen zijn moeder voor de eerste keer werd verbannen na intriges van Madame de Montespan zijn de kinderen opgevoed door de impopulaire grootmoeder Maria van Bourbon-Soissons en haar depressieve dochter Louise Christina van Savoye-Carignano, (en moeder van de beroemde Turkenlouis).

                       
Françoise Athénaïs, markiezin van Montespan          Louise Christina van Savoye-Carignano

Zijn oudste broer Lodewijk Thomas was in 1674 kandidaat voor de Poolse troon evenals Jan Sobieski, maar toen hij de dochter van een stalmeester trouwde werd hij onterfd door de familie. Eugenio was voorbestemd voor een carrière in de kerk en in 1678, toen hij 15 jaar was, ontving hij de abtstonsuur. Vijf jaar later gaf Eugenio blijk de voorkeur te geven aan een militaire carrière net als zijn vader en grootvader. Hij bood zijn diensten aan bij het Franse leger, maar is nooit aangesteld, omdat de zonnekoning hem brutaal vond. Samen met Lodewijk Armand I van Bourbon-Conti vluchtte hij naar Frankfurt; Conti, de schoonzoon van de zonnekoning ging terug, maar Eugenio bleef, nadat hij had vernomen dat zijn oudere broer gevallen was bij het beleg van Wenen. In augustus 1683 meldde hij zich bij het leger van Leopold I. Hij streed vervolgens zij aan zij met zijn neef, de eerder genoemde Turkenlouis.

Louisarmandconti.jpg
Lodewijk Armand I van Bourbon-Conti

Eugenius maakte een bliksemcarrière na het beëindigen van het Beleg van Wenen door honderdduizend Turken. In 1686 viel Buda in handen van Karel V van Lotharingen. In het jaar daarop volgde de Slag bij Mohács (1687). In 1688 raakte Eugenius zwaar gewond aan zijn knie. In 1689 maakten Oostenrijk en de Republiek deel uit van de Grote Alliantie, bedoeld om de Franse agressie aan de Rijn een halt toe te roepen. Bij de Vrede van Rijswijk kreeg Oostenrijk de handen vrij om zich hernieuwd op het oosten te richten, waar de Turken Belgrado en Hongarije bezetten.


In 1693 was Eugenius benoemd tot veldmaarschalk en drie jaar later verkreeg hij het opperbevel over de strijdkrachten aan de oostgrens van het Habsburgse Rijk. In 1697 versloeg hij het leger van Mustafa II bij Senta. Dat was zijn eerste belangrijke overwinning waarbij aan Turkse kant 25.000 doden vielen, daarentegen slechts 430 aan Oostenrijkse kant. Vervolgens verwoestte hij Sarajevo. De Grote Turkse Oorlog werd twee jaar later (1699) besloten met de Vrede van Karlowitz.

File:Jan van Huchtenburgh Reitergefecht.jpg

Na de dood van Karel II van Spanje werd zijn opvolging door de hertog van Anjou een heel heet hangijzer in de Europese politiek. De keizer organiseerde een leger van 32.000 man om de omgeving van Milaan van een Franse bezetting te ontdoen. In 1701 en 1702, tijdens de Spaanse Successieoorlog, versloeg Eugenius in Noord-Italië Nicolas de Catinat en nam hertog van Villeroi gevangen. Zijn nieuwe geduchte tegenstander werd de hertog van Vendôme. In 1703 trok Eugenius zich terug op Wenen. Hij werd als keizerlijke raadgever benoemd (en hield zich bezig met de bouw van een paleis binnen en zijn uitgestrekte landgoederen buiten de stadsmuren van Wenen). Johann Lukas von Hildebrandt, aanvankelijk zijn vestingbouwkundige, zou worden betrokken bij het ontwerp en de bouw van zijn zomerverblijf, het Slot Belvedere. Maximiliaan II Emanuel van Beieren koos de kant van de Franse koning en hoopte in de Zuidelijke Nederlanden de Habsburgers te kunnen vervangen. Toen de Fransen het offensief naar het noorden verlegden, sloot Eugenius een verdrag met de Engelse hertog van Marlborough, gesteund door Anthonie Heinsius met manschappen. Ze versloegen de Franse (onder bevel van de hertog van Tallard) en Beierse legers in de Slag bij Blenheim (1704). Het was de eerste belangrijke nederlaag voor de Fransen in meer dan 60 jaar en de bedreiging van Wenen werd weggenomen. Het was ook de eerste keer dat Engelse strijdkrachten zich zo diep in het Europese continent waagden.

Maria Theresia als keizerin.

In 1705 kwam de Oostenrijkse keizer te overlijden en Frankrijk putte nieuwe moed. De hertog van Villeroi kreeg opdracht de geallieerden aan te vallen waar hij maar kon. In 1706 ontzette Eugenius Turijn. Deze overwinning was het begin van een periode die 150 jaar zou duren: de Oostenrijkse overheersing van Lombardije. Van 1707 tot 1715 was Eugenius gouverneur van Milaan en nam de schilder Jan van Huchtenburg in dienst om zijn overwinningen te vereeuwigen op doek. Hoewel de Fransen in Italië aan de winnende hand waren (?), is toch besloten om zich te richten op de Spaanse Nederlanden om enkele verloren vestingsteden te heroveren. Marlborough had liever Savoye gesteund om daarmee Frankrijk vanuit het zuidoosten te bedreigen, maar de Nederlandse Republiek vreesde dat dit ten koste zou gaan van de troepen aan hun eigen zuidgrens. Onder grote druk van de Nederlanden moest Marlborough zijn plannen aanpassen.  In 1712 leed Eugenius een gevoelige nederlaag tegen de hertog van Villars. De Fransen heroverden een aantal Noord-Franse steden, zoals Valenciennes. Eugenius werd als eerste minister benoemd, maar de schatkist was leeg. In 1713 trokken de Fransen op naar Freiburg im Breisgau en in 1714 sloot Oostenrijk de Vrede van Rastatt met Frankrijk.

Eugenius als gouverneur-generaal van de Nederlanden


Door de permanente oorlogstoestand met het Ottomaanse Rijk kon Eugenius zijn gouverneurschap van de Nederlanden niet ter plaatse waarnemen. Hij moest het regelen van de lopende zaken aan een plaatsvervanger overlaten. Hij wist Karel VI ervan te overtuigen deze opdracht aan zijn landgenoot, Hercule-Louis Turinetti, markies van Prié, toe te vertrouwen. Dit bleek echter een slechte keuze van prins Eugenius. Prié bakte er namelijk niet zoveel van: hij werd zelfs beschuldigd van corruptie. Eugenius' gouverneurschap was bedoeld als een vorm van beloning en waardering voor de verdiensten die hij reeds tevoren - vooral op militair vlak - had verzameld. Het gouverneurschap heeft hem echter, vooral door de onhandigheid van Prié, meer zorgen dan glorie gebaard. Op 16 november 1724 achtte prins Eugenius zich genoodzaakt zijn ontslag aan te bieden. Prié koos kort daarop voor dezelfde uitweg.

Over zijn persoonlijkheid kan weinig met zekerheid gezegd worden, want Eugenius heeft geen persoonlijke papieren nagelaten. Alleen brieven met betrekking tot de oorlog, de diplomatie, de politiek. In de archieven van de vele personen die met hem correspondeerden is evenmin een privécorrespondentie die die naam verdient te traceren. Zijn persoonlijke kant lijkt nooit te hebben bestaan; alleen zijn granieten gelaat van soldaat, diplomaat en staatsman valt op. Eugenius, een van de rijkste en beroemdste personen van zijn tijd was een goede partij, maar hij is nooit getrouwd geweest. Er zijn wel een paar vrouwen in verband gebracht met hem en er bestaat een tekening van een bezoek aan een Amsterdams bordeel. Vooral rond 1715 trad Eleonora Batthyány zijn officiële maîtresse op de voorgrond. Ook uit hun correspondenties is geen teken van een intieme relatie terug te vinden. Waarschijnlijk had Eugenius meer aandacht voor het mannelijke geslacht.

Maria Elisabeth van Oostenrijk

Maria Elisabeth von Habsburg Statthalterin.JPG

Maria Elisabeth van Oostenrijk (Linz, 13 februari 1680 - Slot Marienmont, Morlanwelz, 26 augustus 1741) was een dochter van keizer Leopold I en Eleonore van Palts-Neuberg.
Maria Elisabeth sprak en schreef vloeiend Duits, Frans, Italiaans en Latijn. Haar broer keizer Karel VI duidde haar in 1724 aan tot landvoogdes van de Zuidelijke Nederlanden, waar zij in oktober 1725 aankwam. Zij bleef deze functie uitoefenen tot aan haar dood in 1741. De Weense regering maakte bij de aanvang duidelijk dat ze het aantreden van Maria Elisabeth (die ongehuwd zou blijven) als een nieuwe start voor het Oostenrijkse bestuur van de Zuidelijke Nederlanden beschouwde. In Brussel hield zij een ruime hofhouding en bevorderde zij het muziekleven. De hofkapelmeester Jean-Joseph Fiocco schreef voor haar tussen 1726 en 1738 verscheidene oratoria. Haar regering maakte veelbetekenende geschiedenis met de opschorting (in 1727) en daarna de intrekking (in 1731) van het octrooi van de Oostendse Compagnie, die de hoop op een eigen, openlijke koloniale handel ontnam. In bestuurlijke zaken toonde ze zich vastberaden, handig, maar ook eigenzinnig. Op het einde van haar leven liet ze door hofarchitect Jean-André Anneessens een kasteel bouwen te Mariemont. Zij hield van de minerale bronnen in dit domein. Het was in dit kasteel, waar ze elke zomer doorbracht, dat ze in 1741 plotseling zwaar ziek werd. Ze overleed er op 26 augustus 1741. Haar stoffelijk overschot werd twee dagen in een zaal van het kasteel opgebaard. Op 29 augustus werd het naar Brussel overgebracht, gebalsemd en opgebaard op een praalbed, waar een grote menigte haar een laatste groet kwam brengen. De volgende dag werd ze overgebracht naar de Sint-Goedelekerk en in de grafkelder van de aartshertogen Albrecht en Isabella neergelaten. Enkele maanden later verhuisde ze een laatste keer naar Wenen, waar ze bijgezet werd in het familiegraf, de Kaisergruft in de Kapucijnerkerk.

De Oostendse Compagnie

De Oostendse Compagnie is de gebruikelijke benaming voor de Generale Keizerlijke Indische Compagnie soms afgekort tot GIC. De Compagnie Générale Impériale et Royale des Indes werd gesticht op 19 december 1722.

De zetel van de Compagnie was gevestigd in de Beurs te Antwerpen, waaruit tweederde van de inschrijvingen afkomstig was. De veilingen van de aangevoerde goederen werden te Oostende en Brugge gehouden. De vergaderingen van de directeuren moesten de eerste drie jaar worden gehouden te Antwerpen, de volgende jaren te Brugge of te Gent. Het kapitaal van de Compagnie was vastgesteld op 6 miljoen gulden te verdelen over 6000 aandelen van ieder 1000 gulden. Op 1 september 1723 werd gestart met de intekening op de aandelen welke in anderhalve dag opgenomen werden door zakenlieden, edellieden en regeringsambtenaren.
Aangezien de compagnie zeer succesvol was werden de aandelen slechts voor 75% volgestort en bedroeg het bedrijfskapitaal 4.500.000 gulden. De eerste zitting van de directie had plaats te Antwerpen op 6 oktober 1723. De eerste vier schepen van de Compagnie voeren van Oostende uit op 10 februari 1724; twee waren bestemd voor China, één voor Bengalen en één voor Mokka. Weldra werden ook factorijen opgericht in Banquibazar en in Bhourompour.
Het octrooi werd op 31 mei 1727 door het Preliminair Verdrag van Parijs voor de duur van zeven jaar geschorst. De genadeslag kwam tenslotte op 16 maart 1731, toen de Oostendse Compagnie definitief verboden werd door het Verdrag van Wenen. Niettemin duurde haar activiteit voort tot in 1777. De terugstorting van het kapitaal was al grotendeels in 1737 voltooid. De eindafrekening leverde 7.500.000 gulden zuivere winst op of 166% van het beginkapitaal.
De handelsactiviteiten richtten zich op twee gebieden: China en Bengalen, waarbij de Chinahandel de belangrijkste was. De Oostendse Compagnie was de eerste van het West-Europese vasteland die zich volledig toelegde op de handel met Kanton. De heenlading van de compagnieschepen bestond meestal uit zilverpiasters en lood als scheepsballast. De retourladingen bestonden uit zwarte Boelthee, zijden stoffen uit Nanking, porselein en chinoiserieën.

Met betrekking tot de theehandel heeft de Oostendse Compagnie de VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie) ver achter zich gelaten. Zij kocht te Kanton de betere soorten op, de tweede keus werd naar Batavia verscheept, waarbij bovendien door slechtere verpakkingen en extra overladen de kwaliteit nog verder werd geschaad. De aanvoer van thee te Oostende was dan ook zeer belangrijk: tussen 1725-28 werd te Oostende 58% van de aanvoer van thee in West-Europa geveild. De VOC kwam nooit verder dan een marktaandeel van 13%. Anderzijds richtte de VOC zich op de specerijenhandel en had bijna een monopolie op heel Oost-Azië, met name op Japan, China, Vietnam, Thailand, Cambodja, de Molukken, Ceylon, India en Formosa, het huidige Taiwan. De gemiddelde winstmarge van de Chinahandel van de Oostendse Compagnie bedroeg 158%, wat aanmerkelijk beter was dan de rendementen die door buitenlandse compagnieën werden gerealiseerd.
De grote winsten die de Oostendse Compagnie maakte lokten hevig verzet uit van de Nederlandse regering en de Verenigde Oostindische Compagnie, maar ook van de Engelsen. De scheepvaart vanuit Oostende 'omzeilde' nl. één van de belangrijkste bepalingen van het Verdrag van Munster (1648) en van het barrièreverdrag, namelijk het lamleggen van de Vlaamse overzeese handel en zeevaart. Als gevolg van een verdrag voor bijstand en handel afgesloten tussen Spanje en Oostenrijk (1725) voelde zowel Engeland als Pruisen en Frankrijk zich bedreigd en sloten deze staten het Verdrag van Herrenhausen. Nederland trad pas in 1727 toe op voorwaarde dat de Alliantie zou helpen om de activiteiten van de Oostendse Compagnie te doen beëindigen.
Vele plagerijen en gewelddadige incidenten hebben zich tussen de beide concurrenten voorgedaan. Zo sneuvelde o.a. de eerste Oostendse gouverneur van de factorijen in Cabalon (1719) en Bengalen (1720), Jacques André Cobbé, bij de verdediging van de laatste factorij in 1724. Teneinde het aanwerven van bemanningen in Nederland te beletten - de Vlamingen en Brabanders konden namelijk voor hun Indische vaart de hulp van Nederlandse en Engelse matrozen niet ontberen - vernieuwden de Staten-Generaal in 1717 het vanouds geldende, verbod, dat geen onderdanen van de Republiek in vreemde dienst op Oost-Indië mochten varen. Overtreders die hier of in Indië aan boord van vreemde Oost-Indiëvaarders aangetroffen werden, zouden dit met de dood moeten bekopen. Het verhandelen van goederen, of het ontvangen van commissies op Oostendse goederen werd beboet met verbeurdverklaring, 1000 gulden boete en gevangenisstraf.
Toen bleek dat ondanks deze verordening vele Nederlanders dienst namen in de Oostendse Compagnie, kondigden de Staten-Generaal in 1723 een nieuw plakkaat af en voegden 'openbare geeseling' hieraan toe. Tevens werd het Nederlanders verboden in commissie schepen voor de Oostendenaren te huren, aankopen of uit te rusten, op straffe dat de schepen met inhoud ten bate van de VOC zouden worden verbeurd verklaard en dat een boete ter hoogte van vier maal de waarde van het geconfisqueerde schip werd geheven. Het bezitten van aandelen in de Oostendse Compagnie werd eveneens bestraft met verbeurdverklaring en boete ter grootte van het viervoud van de inleg. Uiteindelijk is één van de conclusies dat de VOC de machtigste en een van de grootste handelsorganisaties ter wereld is geweest en uitstekend kon concurreren met de Britse Oost-Indische Compagnie (de tweede economische supermacht) en de Oostendse Compagnie ver achter zich heeft gelaten.
Tijdens de schorsing van de Oostendse Compagnie werden verschillende voorstellen gedaan om het kapitaal toch te laten renderen tijdens de schorsing. Zo stelde directeur Proli voor het kapitaal te transfereren naar de Compagnie van Triëste of aan de Adriatische Zee een nieuwe handelsorganisatie op te starten. Beide plannen werden om verschillende redenen echter begraven. Zo was er geen gekwalificeerd personeel aanwezig in Triëste en was de Middellandse Zee onveilig. Keizer Karel VI hoopte dat de compagnie zich gedurende de schorsing ging toeleggen op de handel in Europa. De directeurs deelden deze mening echter niet want ze zagen geen enkel tak van de economie capabel om dezelfde winsten te behalen. De directeurs stelden voor om een Jointe secrète op te richten. Het doel van deze geheime organisatie was de compagnie te laten voortbestaan, maar onder de naam van particulieren. De keizer zou zorgen voor de nodige paspoorten en op die manier werd het schrovingsverdrag ontdoken. In maart 1728 werd de Jointe secrète samengesteld. Na de schorsing dwongen de omstandigheden de Compagnie dus tot een soort Dispositeehandel: zij expedieerde in het geheim schepen vanuit vreemde havens. Deze Jointe secrète organiseerde dus smokkelvaarten onder vreemde vlaggen vanuit Cádiz, zonder dat de grote zeemogendheden er weet van hadden. De rest van het kapitaal werd geïnvesteerd in de Deense Compagnie, als vorm van belegging.

Karel van Lotharingen

 
 
Karel Alexander (Lunéville, 12 december 1712Tervuren, 4 juli 1780), hertog van Lotharingen en Bar, genoemd Karel van Lorreinen, was landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden tussen 1741-1744 en 1749-1780.
 
 
Hij was de zoon van Leopold van Lotharingen en een broer van keizer Frans I Stefanus, die in 1736 getrouwd was met keizerin Maria Theresia van Oostenrijk.
In 1744 trad hij in het huwelijk met aartshertogin Maria-Anna, zuster van Maria Theresia van Oostenrijk. Hij werd reeds in 1741 landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden als adjunct van aartshertogin Maria Elisabeth van Oostenrijk, doch verklaarde zich "verhinderd" om naar de Nederlanden af te reizen. Hij arriveerde ten slotte toch op 26 maart 1744 en nam zijn intrek in het Paleis van Nassau te Brussel en op het kasteel van Tervuren. Hij verliet de stad echter reeds in mei van datzelfde jaar om het bevel te voeren over de Oostenrijkse strijdkrachten in de Oostenrijkse Successieoorlog. In 1745 bezetten de Fransen de stad Brussel omdat zij de erfopvolging van Maria-Theresia, die in 1740 Karel VI had opgevolgd, betwistten. Karel kwam pas terug op 23 april 1749, nadat de Vrede van Aken (18 oktober 1748) ook onderschreven was door Oostenrijk.
Tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756 - 1763) moest hij het onderspit delven tegen Frederik de Grote (Leuthen, december 1757). Hij verliet het leger en keerde terug naar de Nederlanden, waar hij zou blijven tot aan zijn dood in 1780. In 1761 trad Karel in de geestelijke stand (hij was sinds 1744 weduwnaar) toen hij gekozen werd tot grootmeester van Duitse Orde.

Standbeeld van Karel aan zijn paleis

Als landvoogd en militair bevelhebber is zijn betekenis eerder gering geweest maar hij was wel een geliefd figuur omdat hij hield van feesten, de goede dingen van het leven en hij kunst en cultuur in Brussel bevorderd heeft. Hertog Karel en Karl Johann Philipp, graaf van Cobenzl, gevolmachtigd minister, stelden alles in het werk om jongelingen met talent, die hun werden voorgedragen, aan te moedigen en te helpen om weer tot een eigen Vlaamse kunst te komen. Voor beeldhouw- en schilderskunst werden jonge kunstenaars gevonden, die met subsidies gesteund, genegen waren hun studies voort te zetten. Voor de penningkunst werd de uit 's-Hertogenbosch afkomstige Theodoor Victor van Berckel aangetrokken.
Nog tijdens zijn leven kreeg Karel van Lorreinen twee standbeelden: het eerste in 1752 op de gevel van het Brouwershuis op de Grote Markt, en het tweede in 1774, midden op het Koningsplein in de bovenstad. Het laatste, in brons uitgevoerd, werd in 1794 door de Fransen verwijderd en omgesmolten.
Tijdens zijn regering ontstond op het vroegere Balieplein een nieuw classicistisch juweeltje, het eerder vermelde Koningsplein. In de benedenstad werd het Sint-Michielsplein aangelegd (nu het Martelaarsplein) en bouwde men de Nieuwstraat uit.
Zijn residentie, het Paleis van Karel van Lorreinen te Brussel werd in 1757 gebouwd op de plek waar vroeger het paleis van Nassau stond. Het is thans ingericht als een museum (Museumplein 1, 1000 Brussel). Hier staat ook een standbeeld voor hem.

Medaille door Theodoor Victor van Berckel met de beeltenis van Karel van Lorreinen op latere leeftijd (1778)
 
Jean de Win bewijst in zijn boek Bruxelles maconnique: Faux mystères et vrais symboles dat van Lotharingen geen vrijmetselaar geweest is. Dat dit zogenaamde feit sedert 1854 gemeengoed was, is volgens hem te wijten aan het boek van Adolphe Cordier uit dat jaar, L'Histoire de l'Ordre Maçonnique en Belgique. Hierin werd gesteld dat hij vrijmetselaar was op basis van zeer bedenkelijke bronnen. De Win ontkracht dit. Alle navolgende bronnen baseren zich steeds op de referentie van Cordier, tot op heden. Ook de loges die door hem zouden zijn opgericht, Saint-Charles Bruxelles en L'Unamimité Tournai zijn mythische creaties van Cordier.
 
 
Keizer Jozef II
 
Portret van keizer Jozef II in uniform, ca. 1780.
 
 
Jozef II (Jozef Benedictus August Johan Anton Michaël Adam) (Wenen, 13 maart 1741 - aldaar, 20 februari 1790) was Rooms-Duitse keizer van 1765 tot 1790 en heerser van de Habsburgse monarchie van 1780 tot 1790. Hij was de oudste zoon van keizerin Maria Theresia en haar man, Frans I Stefanus, en was de broer van Marie Antoinette. Hij was zodanig de eerste heerser in de Oostenrijkse heerschappij van het Huis Habsburg-Lotharingen. Jozef was een voorstander van verlicht absolutisme; echter, zijn betrokkenheid bij de moderniserende hervormingen veroorzaakte veel tegenstand, wat uiteindelijk resulteerde in een uiteindelijke mislukking van de volledige uitvoering van zijn programma. Hij wordt, samen met Catharina II van Rusland en Frederik II van Pruisen, gezien als één van de drie grote verlichte monarchen. Zijn beleid staat nu bekend als het jozefisme. Hij stierf zonder zonen en werd opgevolgd door zijn jongere broer, Leopold.
 
 
Isabella van Parma
 
Jozef huwde op 6 oktober 1760 met Isabella Maria van Bourbon-Parma (1741-1763), hun twee kinderen waren:


  • Aartshertogin Maria Theresia (20 maart 1762 - 23 januari 1770).
  • Aartshertogin Christine (22 november 1763)
Het jongste kind stierf bij de geboorte en Isabella vijf dagen later, aan de pokken. Jozef kon dit eigenlijk niet verwerken, maar op 23 januari 1765 hertrouwde Jozef toch met Maria Josepha van Beieren (1739-1767). De verhouding tussen de echtelieden had weinig van een sprookje. In het openbaar liet Jozef zich laatdunkend uit over de lelijkheid en het afstotelijk uiterlijk van zijn vrouw. Zij leed namelijk aan een chronische huidziekte. Dit huwelijk bleef kinderloos. Twee jaar later stierf Maria Josepha, ook aan de pokken.

Maria Josepha von Bayern.jpg
Maria Josepha van Beieren
 
In 1765 was Jozef II bovendien zijn vader opgevolgd als keizer en werd mederegent van zijn moeder in de landen van de Habsburgse monarchie. In de binnenlandse politiek streefde hij naar centralisatie van het bestuur, waardoor hij in conflict raakte met de Hongaren en de Zuidelijke Nederlanden. De Hongaren kon hij nog tevreden stellen door de maatregelen in te trekken.
Onder invloed van het cameralisme was hij er van overtuigd dat het welzijn van zijn volk gegarandeerd werd door de kracht van de staat. Jozef II zorgt ervoor dat geen enkele boer nog langer als lijfeigene beschouwd mocht worden. Bovendien zag hij het geloof als een private zaak, niet die van de Staat, en ijverde hij voor gelijke rechten voor de joodse bevolking in zijn rijk. Jozef II reisde zelfs naar Rome om invloed uit te oefenen op de pauskeuze. Hij lijkt succes gehad te hebben: de nieuw paus Clemens XIV hief in 1773 de Jezuïetenorde op.

PopeClement-XIV.JPG
Paus Clemens XIV
 
Hij maakte tijdens zijn regering een einde aan het uitgebreide hofceremonieel zoals dat door Joan Raye jr. (1737 - 1823) beschreven werd. Bij keizerlijke audiënties hoefden geen kniebuigingen meer gemaakt te worden. Het Pruisische uniform verving de Spaanse gewaden. Hofdignitarissen werden niet meer op staatskosten onderhouden en alleen op nieuwjaarsdag was er nog een gala-ontvangst.
De keizer zocht ook toenadering tot Rusland in de strijd tegen de Turken op de Balkan.
Als beschermheer van de opera in Wenen had hij grote invloed op verschillende producties van Wolfgang Amadeus Mozart.

Mozart, detail van portret door Johann Nepomuk della Croce, 1780
Wolfgang Amadeus Mozart

Jozef II heeft een grote invloed gehad op het strafrecht. Hij streefde naar een diepgaande hervorming van de Constitutio Theresiana Criminalis van zijn moeder Maria Theresia. Op 13 januari 1787 tekende hij te Wenen de afkondiging van het Allgemeines Gesetz über Verbrechen und derselben Bestraffung.


In 1781 reisde Jozef naar de Oostenrijkse Nederlanden in gezelschap van de graaf van Torcy. Om de Fransen af te leiden eiste hij van de Nederlandse Republiek ontruiming van hun barrièresteden in de Oostenrijkse Nederlanden. Onder het pseudoniem graaf van Falkenstein reisde hij naar Den Haag en werd ontvangen door stadhouder Willem V en Carel George van Wassenaer Obdam. Vervolgens ging hij naar Amsterdam en had een overleg met burgemeester Joachim Rendorp. Hij bezocht Den Helder en ging aan boord van een van de schepen. Vervolgens trok hij naar Zaandam, Broek-in-Waterland, waar een boer hem niet binnen liet,  Utrecht, Den Bosch en Maastricht.
In oktober 1784 stuurde hij een tweetal schepen de Schelde op en begon de Keteloorlog, mogelijk om wraak te nemen op de noord-Nederlandse patriotten, die zijn achterneef Lodewijk Ernst van Brunswijk-Lüneburg-Bevern hadden uitgewezen. Hij eiste vrije handel op Oost-Indië, opening van de Schelde, die bij de Vrede van Munster in 1648 dicht was gebleven, en annexatie van Maastricht,
beide tevergeefs.
In de Zuidelijke Nederlanden stond hij bekend om zijn verlichte, maar paternalistische hervormingspolitiek. Hij kreeg de bijnaam keizer-koster vanwege van zijn verregaande regeldrift ten aanzien van interne kerkelijke zaken zoals het priesterlijke gewaad en het bepalen van het aantal brandende kaarsen op het altaar. Ook beperkte hij het aantal kermissen te lande. In de Oostenrijkse Nederlanden trachtte hij het recht diepgaand te hervormen. Hij gaf Jozef Crumpipen, de kanselier van Brabant, opdracht om hieraan te werken. Het resultaat van deze poging tot hervorming werd voorgelegd aan Jozef II. De keizer ging niet akkoord en weigerde de ontwerptekst te aanvaarden omdat die niet ver genoeg ging. Hierop gaf hij aan Karl Anton von Martini de opdracht om het wetboek dat deze reeds voor Lombardije had gemaakt te vertalen in het Nederlands. Deze "vreemde" tekst werd echter niet aanvaard door de Oostenrijkse Nederlanden en droeg bij aan het uitbreken van de Brabantse Omwenteling van 1789-1790.

Keizer Leopold II

 

Peter Leopold Valentijn Jozef Anton Joachim Pius (Wenen, 5 mei 1747 – aldaar, 1 maart 1792), aartshertog van Oostenrijk, was groothertog van Toscane (17651790; als Leopold I), vorst van de Zuidelijke Nederlanden, koning van Bohemen en als Leopold II keizer van het Heilige Roomse Rijk (1790-1792).
Hij volgde in 1790 zijn broer Jozef II op als keizer van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie en vorst van de Zuidelijke Nederlanden, midden in de turbulente tijd van de Brabantse Omwenteling. Zodoende herstelde Leopold het gezag van de Habsburgers in de Zuidelijke Nederlanden en dat van de prinsbisschop in Luik.
Na zijn dood in 1792 werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon Frans II.

Keizer Frans II

Portret van keizer Frans I door Friedrich von Amerling, 1832.

Frans Jozef Karel van Habsburg-Lotharingen (Florence, 12 februari 1768 – Wenen, 2 maart 1835), zoon van Leopold II, was als Frans II de laatste keizer van het Heilige Roomse Rijk en als Frans I de eerste keizer van Oostenrijk.
Hij verhief in 1804 de gebieden van de Habsburgse Monarchie tot keizerrijk en nam zelf als Frans I de titel van keizer aan. Na de door Napoleon afgedwongen ontbinding van het Heilige Roomse Rijk in 1806 legde hij deze titel neer, waarna hem slechts de titel van keizer van Oostenrijk resteerde.
Hij stierf op 2 maart 1835 in Wenen en werd opgevolgd door zijn zoon Ferdinand I.


De Spaanse Nederlanden: De ene landvoogd na de andere

Leopold Willem van Oostenrijk
 
 
Leopold Willem van Oostenrijk (Wiener Neustadt, 5 januari 1614 - Wenen, 20 november 1662), aartshertog uit het Huis Habsburg, was landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden van 1647 tot 1656. Hij was een zoon van Ferdinand II van Oostenrijk en Maria Anna van Beieren. Ferdinand III van Oostenrijk was zijn broer, Leopold I van Oostenrijk zijn neef.
Leopold Willem was sinds 1626 prins-bisschop van Straatsburg, Passau en prins-abt van Murbach. Van 1627 tot 1631 was hij prins-abt van Hersfeld en van 1627 tot 1648 prins-bisschop van Halberstadt. Vervolgens werd hij in 1637 bisschop van Olomouc en in 1655 van Breslau. Een andere belangrijke geestelijke waardigheid die hij verwierf was grootmeester van de Duitse Orde in 1641.
Hij was kunstminnaar, vooral van de schilderkunst:
  • In Antwerpen was hij opdrachtgever van David Teniers de Jonge, Peter Franchoys en van Hiëronymus Duquesnoy de Jonge.
  • Hij verkreeg een deel van de kunstschatten van keizer Karel V en vulde deze collectie nog verder aan in het Paleis op de Koudenberg, waar hij verbleef. Deze kunstwerken zouden later een deel van de basisverzameling van het Kunsthistorisch Museum van Wenen gaan vormen.
Leopold Willem, die een zeer devoot man was, ging vaak bidden in het bedevaartsoord van Jezus-Eik en zorgde er voor de bouw van een volwaardige kerk vanaf 1650.

Juan II van Oostenrijk

 
Don Juan José van Oostenrijk (Madrid, 7 april 1629 - aldaar, 17 september 1679) was een Spaans veldheer en staatsman en van 1656 tot 1659 landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden.
Don Juan was de beroemdste buitenechtelijke zoon van Filips IV van Spanje. Zijn moeder was de toneelspeelster Maria Calderón. Hij was de enige van de tientallen bastaardkinderen die door Filips IV erkend werd.
Hij werd in 1656 landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, die op dat moment opstandig waren tegen hun soeverein. Teruggeroepen om als legeraanvoeder tegen de rebellerende Portugezen te strijden werd hij op 3 juni 1663 bij Estremoz door de Portugezen verslagen. Daarna werd hij vicekoning van Aragón. Van 1677 tot aan zijn dood was hij eerste minister onder zijn halfbroer Karel II.
De ambitieuze Don Juan maakte een grote fout. Hij wilde zich met zijn tweeëntwintig jaar jongere halfzus Margaretha Theresia verloven. Koning Filips IV was hier echter tegen omdat zijn dochter in het kader van een lang geplande huwelijkspolitiek als bruid was beloofd aan haar oom, keizer Leopold I. Daarbij werd gestipuleerd dat Margaretha Theresia haar positie in de erfopvolging zou behouden en dat de rechten op de troon via haar nakomelingen zouden verdergaan. Filips sloot hierop zijn zoon Don Juan in 1665 van de erfopvolging uit.

Luis de Benavides Carillo

 
Luis Francisco de Benavides Carrillo de Toledo, Markies de Caracena, (Valencia, 20 september 1608Madrid, 6 januari 1668) was een Spaans veldheer en landvoogd van de Spaanse Nederlanden van 1659 tot 1664.
Hij stamde uit een adellijke familie en maakte carrière in het Spaanse leger tijdens de vele veldslagen in Vlaanderen en Italië tussen 1629 en 1659, met als hoogtepunt de verovering van Casale Monferrato in 1652.
Na de nederlaag van Don Juan van Oostenrijk in de Slag bij de Duinen in 1658, wordt Caracena aangeduid als zijn vervanger als landvoogd der Nederlanden. Na het sluiten van de Vrede van de Pyreneeën in datzelfde jaar breekt een periode van vrede aan. Dit maakt het bestuur niet echt gemakkelijker, want de Spaanse schatkist was leeg tot op de bodem.
In 1664 keert hij terug naar Spanje om het bevel over te nemen in de oorlog tegen Portugal, die slecht verloopt door een nieuwe nederlaag van dezelfde Don Juan van Oostenrijk. Caracena kan het tij niet keren. Hij lijdt zelfs een zware nederlaag bij Villaviciosa op 17 juni 1665.
Hierna geraakt Caracena op een zijspoor en overlijdt begin 1668 na een ziekte van 3 dagen.

Francisco de Castel Rodrigo

Francisco de Moura Cortereal, markies de Castel Rodrigo (1610 - 26 november 1675) was landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden van 1664 tot 1668.
Francisco was de derde markies van Castel Rodrigo en zoon van Manuel de Castel Rodrigo, die voordien ook landvoogd geweest was van de Zuidelijke Nederlanden, meer bepaald van 1644 tot 1647.
Zijn ambtstermijn viel voor een stuk samen met de devolutieoorlog, waarin Spanje machteloos bleek tegen de Franse expansiedrang. Castel Rodrigo liet in 1666 het dorpje Charnoy ombouwen tot vestingstad en herdoopte het tot Charleroi, naar de Spaanse koning Karel II.
Hij is ook vicekoning van Catalonië geweest, van 1663 tot 1664. Hij huwde met Ana Maria de Aragón y de Moncada en had twee dochters, Leonor en Juana.

Íñigo Fernández de Velasco

 
Íñigo Melchior Fernández de Velasco y Tovar (Madrid, 16 april 1629 – ?, 29 september 1696) was een Spaanse edelman en politicus. Hij was een zoon van Bernardino Fernández de Velasco, 6e hertog van Frías en Isabella Maria de Guzmán y Guzmán, 5e hertogin van Medina de las Torres en een neef van koning Johan IV van Portugal.

JoaoIVPortugal.jpg
Johan IV van Portugal

Karel II, geschilderd door Juan Carreño de Miranda
Karel II van Spanje
 
Hij was een invloedrijk persoon tijdens de regering van Karel II van Spanje. Na de dood van zijn moeder in 1640 erfde hij haar titels. Nadat zijn vader in 1652 overleed erfde hij naast diens adellijke titels de titel Condestable van Castilië, een erfelijke eretitel en werd lid van de Staatsraad en de Oorlogsraad. Daarnaast bekleedde hij posities als gouverneur van Galicië en tussen 1668 tot 1670 die van landvoogd der Zuidelijke Nederlanden.

In 1671 huwde Fernández de Velasco met Maria Teresa de Benavídes Dávila y Corella († 1702), Uit dit huwelijk werd een dochter geboren:
  • Maria del Pilar Fernández de Velasco y Tovar († Madrid 30 november 1734), 7e hertogin van Medina de las Torres, 7e markgravin van Berlanga; ∞ (Madrid 6 maart 1695) Francisco Téllez-Girón y Benavídes (Madrid 11 maart 1678Parijs 3 april 1716), 6e hertog van Osuna
Daarnaast had hij een kind uit een buitenechtelijke relatie met Maria de la Torre, overigens lang voor zijn huwelijk:
  • Francisco de Velasco y Tovar (Madrid 5 september 1649Sevilla maart 1716), gouverneur van Cádiz
Juan Domingo de Zuñiga y Fonseca


Carlos de Gurrea



Alessandro Farnese


Alessandro Farnese (Parma, 10 januari 1635Madrid, 18 februari 1689) was prins van Parma en Piacenza en van 1678 tot 1682 landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. Hij was de tweede zoon van Odoardo Farnese, hertog van Parma en Piacenza, en Margherita de' Medici.
Ter onderscheiding van zijn overgrootvader hertog Alessandro van Parma werd hij ook wel Alessandro di Odoardo genoemd.
Nadat hij onderkoning van Navarra (1675-1676) en Catalonië (1676-1677) was geweest, werd hij na de Hollandse Oorlog in 1678 aangesteld als landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. Daarna was hij generaal in het Venetiaanse leger (1682-1687) en admiraal van de Spaanse marine (1687).
Hij stierf in 1689 ongehuwd. Bij zijn maîtresse Maria Lao y Carillo had hij vier kinderen:
  • Alessandro Odoardo (Badajoz, 12 april 1663Cacéres, 21 mei 1666)
  • Alessandro Maria (Badajoz, 30 oktober 166428 september 1726), kolonel in het Spaanse leger
  • Margherita (Badajoz, 5 juni 1665 – Parma, november 1718), non in Parma
  • Isabella (Badajoz, 19 september 1666 – Parma, 27 december 1741), non in Parma
Ottone Enrico del Carretto

Ottone Enrico del Carretto

Francisco Antonio de Agurto

 Francisco Antonio de Agurto y Salcedo, markies van Gastañaga (Vitoria, 19 juni 1640 - Barcelona, 2 november 1702) was een Spaans edelman, onderkoning en landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden uit de 17e eeuw.

De Agurto was van Baskische oorsprong en doorliep een militaire carrière als kolonel, artilleriemeester, generaal-majoor en luitenant-generaal van de cavalerie waarbij hij had deelgenomen aan verscheidene veldslagen in de Nederlanden. In 1662 werd hij ridder in de Orde van Alcántara.

Na de dood van Ottone Enrico del Carretto in 1685 werd De Agurto op 30 december van dat jaar door de Spaanse koning Karel II benoemd tot landvoogd en kapitein-generaal van de Zuidelijke Nederlanden. Tegelijkertijd kreeg hij de erfelijke titel van markies van Gastañaga. De Agurto deed zijn intrede in Brussel op 2 februari 1686.
In 1688 brak de Negenjarige Oorlog uit tussen Frankrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In april 1689 verklaarde ook Spanje de oorlog aan Frankrijk en werd een bondgenoot van de Republiek. De Agurto trof daarna samen met veldmaarschalk van Waldeck de nodige voorbereidingen hiertoe.
Op 26 augustus 1689 verrasten de Fransen de Hollandse troepen die gelegerd waren in Walcourt en die grote verliezen leden. De Agurto zelf trok over de Schelde bij Spiere en heroverde bijna zonder tegenstand de stad Menen. De Agurto leidde de Spaanse troepen in de Slag bij Fleurus en verdedigde de stad Bergen tegen de Fransen. De 6.000 Spaanse soldaten waren niet opgewassen tegen de overmacht van de 80.000 Fransen die de stad belegerden. Na een beleg van 9 maanden moest de stad zich op 8 april 1691 overgeven.

King William III of England, (1650-1702) (lighter).jpg
Willem III van Oranje

Deze nederlaag werd De Agurto vooral door Willem III van Oranje sterk aangewreven en deze deed zijn beklag over De Agurto in een brief aan koning Karel II. De Agurto trad af en werd opgevolgd door keurvorst Maximiliaan II Emanuel van Beieren, een aangetrouwd familielid van de vorst. Op 26 maart 1692 droeg De Agurto de macht over aan Maximilaan van Beieren.

Joseph Vivien 001.jpg
Maximiliaan II Emanuel van Beieren

Bij zijn aankomst in Spanje werd De Agurto gearresteerd. Na een onderzoek dat ruim een jaar duurde werd hij in oktober 1693 vrijgepleit van alle schuld.
In 1694 kreeg De Agurto eerherstel en werd hij benoemd tot onderkoning van Catalonië. Hij slaagde er eerst in om de opmars van de Fransen te stuiten maar toen hij in 1696 het offensief opende op de Fransen aan de oevers van de Tordera ten noorden van Barcelona, leed hij zware verliezen en sloeg een deel van zijn leger op de vlucht. De Agurto trad af en werd als onderkoning vervangen door Francisco de Velasco.
Bij het aantreden van de nieuwe koning Filips V werd De Agurto benoemd tot regimentskolonel van de koninklijke wacht te paard. Hij stierf plots in 1702 toen hij in Barcelona de vorst opwachtte bij diens terugkeer vanuit Lombardije.
De Agurto was ongehuwd en de titel van markies van Gastañaga ging over naar zijn jongere broer Iñigo Eugenio de Agurto (1648-1715).

Maximiliaan II Emanuel van Beieren

 
Maximiliaan Emanuel Lodewijk Maria Jozef Cajetanus Anton Nicolaas Frans Ignatius Felix (München, 11 juli 1662 – aldaar, 26 februari 1726), kortweg Max Emanuel en bijgenaamd de Blauwe Keurvorst (naar de kleur van zijn wapenrusting), was van 1679 tot 1726 keurvorst van Beieren en van 1691 tot 1706 landvoogd van de Spaanse Nederlanden.

Max Emanuel was de zoon van keurvorst Ferdinand Maria en Henriëtte Adelheid van Savoye, dochter van Victor Amadeus I van Savoye. Hij volgde in 1679 zijn vader op en was, door zijn door Ferdinand Maria vergrote schatkist, voor zowel keizer Leopold I als voor de Franse koning Lodewijk XIV interessant. Hij koos voor de kant van de eerste en huwde in 1685 diens dochter Maria Antonia van Oostenrijk (1669-1692).

Maria Antonia van Oostenrijk

In tegenstelling tot zijn vader bemoeide Max Emanuel zich uitdrukkelijk met de Europese politiek. Hij was in 1683 aanwezig bij het beleg van Wenen, streed ook daarna aan de zijde van de keizer in de Turkenoorlogen en onderscheidde zich in het bijzonder in de Slag bij Mohács (1687). Bij de verovering van Belgrado in 1688 raakte hij door een pijl gewond. Hij werd hierop door de keizer tot generalissimus benoemd en leidde als zodanig zijn troepen naar Italië, waar hij het beleg van Carmagnola meemaakte. In de Negenjarige Oorlog behoorde hij tot de Liga van Augsburg.
Hij werd in december 1691 tot Spaans landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden benoemd. Sinds maart 1692 verbleef hij daar ook, maar hij liet in de loop der tijd het dagelijks bestuur steeds meer over aan Jan van Brouchoven.(1)

Jean de Brouchoven.jpg
Jan van Brouchoven

Door zijn tweede huwelijk, (1694) met Theresia Kunigunde Sobieska (1676-1730), maakte hij na de dood van haar vader Jan III Sobieski kans op de troon van Polen. Hij verkoos echter in West-Europa te blijven.
De plotselinge dood van zijn zoon Jozef Ferdinand (1692-1699), die door Karel II van Spanje tot erfgenaam was gekozen, maakte een voorlopig einde aan zijn ambitieuze plannen om de heerschappij van de Wittelsbachers uit te breiden. Het feit dat Karel vervolgens bij testament Filips V, een neef van Lodewijk XIV, tot erfgenaam benoemde, leidde in 1701 tot de Spaanse Successieoorlog. Max Emanuel keerde in dat jaar terug naar Beieren en koos in de oorlog de zijde van de Franse koning, daar hij hoopte zo de hem reeds eerder beloofde soevereiniteit over de Zuidelijke Nederlanden te verkrijgen en eventueel de Habsburgers van de keizerstroon te kunnen stoten. Na de Frans-Beierse nederlaag in de Slag bij Blenheim moest hij in 1704 zijn land echter verlaten. Hij werd in 1706 samen met zijn broer Jozef Clemens in de rijksban gedaan.
Sinds 1704 verbleef hij weer in de Nederlanden, maar de Grote Alliantie bezette in 1706 Vlaanderen en in 1709 Henegouwen. Max Emanuel ontving in 1712 van Filips V de soevereiniteit over de niet-bezette gewesten Luxemburg en Namen. Na de Vrede van Utrecht (1713) en de Vrede van Rastatt (1714), waarbij hij deze pas verkregen soevereiniteit afstond aan Oostenrijk, werd hij hersteld op de Beierse troon. Na in 1717 de Oostenrijkers tegen de Turken te hebben gesteund, kreeg hij ook zijn keurvorstelijke stem terug.
Hij stierf op 26 februari 1726 en werd opgevolgd door zijn zoon Karel I Albert, die in 1742 zijn droom waarmaakte door als Karel VII de keizerstroon te bestijgen. Naast staatsman en militair was hij ook verzamelaar van porselein en schilderijen. Hij kocht voor 90.000 Brabantse gulden 101 schilderijen, waaronder 12 van Peter Paul Rubens, die de basis voor de collectie van de Alte Pinakothek vormen.

Huwelijk en kinderen
Max Emanuel verwekte bij zijn eerste gemalin Maria Antonia drie kinderen:
  • Leopold Ferdinand (1689), prins van Beieren, stierf drie dagen na de geboorte
  • Anton (1690), prins van Beieren, stierf nog dezelfde dag
  • Jozef Ferdinand Leopold (1692-1699), keurprins van Beieren, prins van Asturië
Uit zijn tweede huwelijk met Theresia Kunigunde Sobieska werden de volgende kinderen geboren:
  • Doodgeboren zoon (1695)
  • Maria Anna Caroline (1696-1750), trad op 29 oktober 1720 als "Therese Emanuele de corde Jesu" tot het Münchense clarissenklooster toe
  • Karel Albert (1697-1745), keurvorst van Beieren, Rooms keizer, koning van Bohemen
  • Filips Maurits Maria (1698-1719), daar zijn dood nog niet bekend was nog dagen daarna tot bisschop van Paderborn en Münster gekozen
  • Ferdinand Maria Innocentius (1699-1738), keizerlijk veldmaarschalk
  • Clemens August (1700-1761), keurvorst en aartsbisschop van Keulen, prinsbisschop van Hildesheim, Münster, Paderborn en Osnabrück
  • Willem (1701-1704), prins van Beieren
  • Aloysius Johan Adolf (1702-1705), prins van Beieren
  • Johan Theodoor (1703-1763), prinsbisschop van Luik, bisschop van Regensburg en Freising
  • Maximiliaan Emanuel Thomas (1704-1709), prins van Beieren
(1) Jan van Brouchoven

 
Jan van Brouchoven (Antwerpen 9 oktober 1644 - Mechelen 21 mei 1725), tweede graaf van Bergeyck was één van de belangrijkste Zuid-Nederlandse politici op het einde van de Spaanse periode.

Gerard van Brouchoven (1580-1638), was schepen van 's-Hertogenbosch voor hij naar Lier, in de Spaanse Nederlanden, uitweek. Zijn oudste zoon, Jan-Baptist van Brouchoven (1619-1681), vertrok van Lier naar Antwerpen, waar hij in 1642 als poorter werd ingeschreven en in 1643 al schepen was. Hij leerde er Hélène Fourment (1614-1673), de jonge weduwe van Peter Paul Rubens (1577-1640) kennen. Op 9 oktober 1644 werd Jan van Brouchoven geboren en in de Sint-Andrieskerk gedoopt, als zoon van Jan-Baptiste en Hélène, die in de loop van 1645 trouwden. Er kwamen nog vijf wettige kinderen, die zich voegden bij de gelegitimeerde zoon en bij de vijf nog jonge kinderen uit het huwelijk Rubens-Fourment.
Na verschillende functies in Antwerpen te hebben vervuld, werd Jan-Baptist van Brouchoven een belangrijk raadsheer in dienst van de Spaanse vorsten, zowel in Brussel als in Madrid waar hij lid werd van de Consejo de Flandes.

Het is niet duidelijk waar Jan van Brouchoven zijn jeugd doorbracht en zijn opleiding kreeg. Verbleef hij in Antwerpen of in het kasteel van Elewijt dat tot in 1682 aan Helena Fourment en haar kinderen bleef toebehoren? Kreeg hij les van een huisleraar of volgde hij de lessen in het jezuiëtencollege in Antwerpen? Aan welke universiteit werd hij licentiaat in de rechten? Alvast niet in Leuven, misschien in Dole, hoewel ook dit niet zeker is.
In 1672 trouwde Jan van Brouchoven in Antwerpen met Anna Helman (†1682), enige dochter van Filips Helman, heer van Leefdaal. Voortaan werd het kasteel van Leefdaal een vaste verblijfplaats voor het jonge paar. Uit dit huwelijk had het één in leven gebleven dochter, Catharina (1675-1757), barones van Leefdaal, die ongehuwd bleef. In 1685 hertrouwde Jan met Livina de Beer (†1743), dochter van een Gentse hoofdbaljuw en weduwe van de heer van Laarne, die zeven kinderen had uit een eerste huwelijk en er nog eens zes schonk aan Brouchoven:
  • Jean-Philippe (1686-1719), luitenant-kolonel in de Spaanse cavalerie,
  • jongen, naamloos (1688),
  • jongen, naamloos, (1690),
  • Nicolas-Joseph (1691-1720), derde graaf van Bergeyck, baron van Leefdael, die trouwde met Marie-Charlotte de Visscher,
  • Marie-Caroline (1693-1733) die trouwde met Pieter della Faille de Nevele,
  • Marie-Thérèse (°1695) die achtereenvolgens trouwde met de graaf van Cruykenburg en de graaf de Licques.
In maart 1668 kreeg Jan van Brouchoven zijn eerste ambt, dat van adjunct-raadsheer, plaatsvervanger van zijn vader, in de Raad van Financies. In 1672 werd hij daarbij ook nog intendant of verantwoordelijke voor de financies in de provincies Gelder en Limburg en bleef dit tot in 1678. Vanaf die datum was hij weer voltijds actief in de Raad van Financies en werden hem heel wat opdrachten toevertrouwd.
Vanaf 1683 rukten de troepen van Lodewijk XIV tegen de Nederlanden op. Brouchoven werd begin 1684 intendant in Vlaanderen en dit tot in 1685. Daarbij werd hij door de landvoogd aangesteld om alle rekeningen van de provinciale overheid in Vlaanderen te controleren. In 1687 werd hij raadsheer in de Consejo de Flandes, met behoud van zijn rang en anciënniteit in de Raad van Financies. Hij vertrok echter niet naar Madrid, omdat de landvoogd hem bij zich wilde houden, als deskundige in financiële zaken.

Wanneer in 1688 de broer van de stiefmoeder van Jan de Bergeyck, Philippe-François d'Ennetières, weduwnaar geworden, zich terugtrok bij de ongeschoeide karmelieten, moest hij worden opgevolgd als tesaurier-generaal voor de Spaanse Nederlanden, in feite Minister van Financies en van Economische Zaken. De Bergeyck werd benoemd en werd tevens raadsheer bij de Raad van State. Voortaan had hij de algemene leiding over de Raad van Financies. Het was de oorlogsperiode, tijdens dewelke onder meer de Brusselse Grote Markt in puin werd gelegd (1695). In 1696 werd Bergeyck één van de onderhandelaars voor vredesbesprekingen die tot de Vrede van Nijmegen en de Vrede van Rijswijk (1697) leidden.
Ondanks de vele beslommeringen die de vredesonderhandelingen met zich meebrachten, was Bergeyck tegen het einde van de zeventiende eeuw druk bezig met hervormingen en met het economisch herstel in de Nederlanden. Hij deed pogingen om het aantal ambtenaren te verminderen en om het leger te reorganiseren. Veel succes had hij hiermee niet, als gevolg van tegenkantingen en van de Spaanse inertie in Madrid. Hij was anderzijds betrokken bij allerhande overeenkomsten die de handel en export betroffen, waar wisselend succes werd in geboekt.
In 1698 verleende Bergeyck octrooi voor de oprichting van een Oostindische Compagnie in de Spaanse Nederlanden. Het initiatief kende geen succes omdat zowel de concurrentie en tegenkanting vanuit Engeland en de Verenigde Provincies roet in het eten gooide, maar vooral Spanje heftig tegen het initiatief te keer ging. Toen Bergeyck in mei 1699 ontslag nam als tesaurier-generaal werd het plan definitief opgedoekt. Pas in 1722 zou, met de oprichting van de Oostendse Compagnie, het idee hernomen worden, en zou Bergeyck bij de oprichting om raad worden gevraagd.
Bergeyck speelde in die zelfde jaren een aanzienlijke rol in het vestigen van protectionistische maatregelen in het voordeel van de Zuid-Nederlandse handel en nijverheid. Begin 1699 werd in Brussel een conferentie voor economisch herstel gehouden, onder het voorzitterschap van Bergeyck, waar alle steden van enig belang in de Spaanse Nederlanden aan deelnamen. Dit mondde uit in ordonnanties en plakkaten die de eigen handel en nijverheid moesten beschermen.
Terwijl de conferenties volop aan gang waren, nam Bergeyck einde mei 1699 ontslag als tesaurier-generaal. Hij had al vanaf begin 1698 verschillende keren ontslag aangeboden. Zijn vijanden in Brussel en in Madrid zouden natuurlijk niets liever hebben gehad. Pas op 9 april 1700 werd zijn ontslag als tesaurier-generaal door de koning aanvaard. Pas in augustus werd graaf Tirimont, vertrouweling van Bergeyck, als zijn opvolger benoemd. Het ontslag betekende niet de verdwijning van Bergeyck, die ook zonder prestigieuze functie de feitelijke eerste-minister van de Spaanse Nederlanden bleef.

Van 1701 tot 1706 kende de Bergeyck het hoogtepunt van zijn carrière, toen landvoogd Maximiliaan Emanuel van Beieren lange tijd uit de Nederlanden wegbleef.
Op 1 november 1700 stierf koning Karel II als laatste Spaanse Habsburger, zonder nakomelingen, en had een kleinzoon van Lodewijk XIV als zijn opvolger aangeduid. De jonge koning Filips van Anjou vertrok als Filips V naar Madrid en liet aan landvoogd Max Emanuel weten dat hij de dagelijkse leiding van de Spaanse Nederlanden in handen gaf van zijn grootvader Lodewijk XIV. Ook al had Bergeyck geen precieze officiële functie meer, wisten ook de Franse gezanten die in Brussel neerstreken dat niets zonder hem kon worden gedaan en ze deden dan ook beroep op zijn medewerking, die hij hen grif toezegde. Het gezag van Bergeyck nam nog toe nadat Max Emanuel in maart 1701 voor lange tijd naar München vertrok.
Hoewel de regering formeel in handen was gegeven van de markies van Bedmar, was Bergeyck bij alles wat in de Nederlanden omging de doorslaggevende gezagdrager: als financier van de Beiers-Franse alliantie, als onderhandelaar voor de economische samenwerking met Frankrijk, als bemiddelaar voor het behoud van de vrede, in deze periode van Successieoorlog. Ook op het binnenlandse beleid drukte hij zijn stempel. Dit betrof in de eerste plaats de reorganisatie van het militair apparaat, want hij trad nu ook op als minister van Oorlog, terwijl hij ook de feitelijke minister van Financies was gebleven. Ook in dit laatste was hij de onvermijdelijke spilfiguur.
De activiteit van Bergeyck reikte nog verder en mondde uit in een echte staatsgreep, door de afschaffing van de 'Collaterale Raden'. Coördineren en rationaliseren van het regeringswerk was de boodschap, met vooral een beter beheer van de financies. De Consejo de Flandes in Madrid werd alvast op non-actief geplaatst en weldra afgeschaft. Vervolgens werden de drie Collaterale Raden afgeschaft en vervangen door één Koninklijke Raad. Deze raad beperkte zich tot zeven leden, met opnieuw als voornaamste Bergeyck, die superintendant-generaal van Financies en minister van Oorlog werd en dit met een wedde die hoger lag dan die van al zijn collega's bijeen, ook al moest hij daar al direct de helft van afstaan om de tien secretarissen te bezoldigen die hij in dienst had. Natuurlijk lagen in principe de beslissingen bij de Koninklijke Raad, voorgezeten door de landvoogd, maar in de praktijk was Bergeyck nu alleen meester over wat vroeger tot de bevoegdheden behoorde van de Raad van Financies, de Secretarie van Staat en Oorlog, gedeeltelijk de Raad van State, enz.
In diezelfde tijd woedde nog altijd de Successieoorlog. In Ramillies bij Tienen leden de Franse troepen op 23 mei 1706 de nederlaag tegen de geallieerde troepen van de Hertog van Marlborough. Het grootste deel van de Spaanse Nederlanden verklaarde zich onderhorig aan Karel VI van Oostenrijk. Er bleef maar weinig grondgebied meer over (hoofdzakelijk Henegouwen, Namen en Luxemburg) om trouw te blijven aan Filips V. Bergeyck trok zich in Bergen terug om wat overbleef verder, met de steun van Frankrijk, te besturen. De oorlog ging door, met wisselende kansen. Bergeyck slaagde erin Gent en Brugge met hun ommelanden te heroveren. Maar tegen begin 1709 namen de troepen van Marlborough weer de bovenhand. Ook Bergen viel in hun handen en Bergeyck moest zich in Namen terugtrekken. Uiteindelijk verloor Frankrijk - Spanje de hele Zuidelijke Nederlanden. In mei 1711 verliet Bergeyck het land om zich naar Spanje te begeven.

In Spanje aangekomen werd Bergeyck onmiddellijk door de koning uitgenodigd de bijeenkomsten van de Spaanse kabinetsraad bij te wonen. In september 1711 benoemde de koning hem tot superintendant of minister van Financies. Hij spande zich in om financieel herstel te bewerkstelligen en nam ook initiatieven ten bate van de Spaanse industrie.
Tot het einde van 1714 bleef Bergeyck Spaans minister, actief voor de binnenlandse aangelegenheden maar ook als raadgever en spreekbuis van Filips V in de onderhandelingen die uitmondden op de Vrede van Utrecht in 1714.

In 1714 werd Bergeyck zeventig en begon hij naar rust te verlangen. Op 1 april werd zijn ontslag aanvaard en kon hij naar de Nederlanden terugkeren. Hij was in Namen begin augustus 1714. Voortaan leefde hij in Brussel, in Leefdaal en tijdens de wintermaanden in Mechelen, waar hij een huis had gekocht.
Na 1716 waren de hele Zuidelijke Nederlanden nu onder het gezag van de Oostenrijkse Habsburgers. Markies de Prié werd gouverneur-generaal en bleef dit tot in 1724.
Bergeyck had geen enkele openbare functie meer, wat niet belette dat hij als éminence grise verder invloed uitoefende en regelmatig door de landvoogd werd geraadpleegd.
Op 2 augustus 1724 had Bergeyck zijn testament gemaakt. Na zijn overlijden op 21 mei 1725 werd hij in Leefdaal begraven