De Geschiedenis van Vlaanderen komt weldra in boekvorm uit. Daarom zijn de 36 delen offline gehaald op vraag van de auteur.
Ik zal proberen een alternatief te bieden, weliswaar in een ander kleedje gegoten.
De Geschiedenis van Vlaanderen loopt van de Romeinse tijd tot het eind van de 14de eeuw wanneer Vlaanderen verdwijnt als zelfstandige staat.
Na deze periode is Vlaanderen achtereenvolgens onder Bourgondische, Habsburgse, Spaanse, Oostenrijkse en Franse bewinden gevallen om in 1830 als Belgisch Vlaanderen te eindigen.

Deze verschillende perioden worden hier uitvoerig besproken.

dinsdag 6 maart 2012

Boudewijn IX, de 18e graaf van Vlaanderen

standbeeld Boudewijn te Bergen.
 
Boudewijn (Valenciennes, juli 1171 - Bulgarije, 1205) was als Boudewijn IX graaf van Vlaanderen van 1194 tot 1205, als Boudewijn VI graaf van Henegouwen van 1195 tot 1205, en als Boudewijn I keizer van het Latijns Keizerrijk van Constantinopel van 1204 tot 1205.

Hij was de oudste zoon van graaf Boudewijn V van Henegouwen en van Margaretha van de Elzas, zus en erfgename van Filips van de Elzas, graaf van Vlaanderen. Hij trouwde in 1186 met Maria, dochter van Hendrik I van Champagne. Bij de dood van zijn moeder (15 november 1194) werd hij graaf van Vlaanderen en na het overlijden van zijn vader (17 december 1195) erfde hij ook het graafschap Henegouwen. Aldus waren beide graafschappen weer voor het eerst verenigd sinds Robrecht I de Fries zijn voorganger Arnulf III van Vlaanderen had verslagen.

Als jonge man sloot Boudewijn zich aan bij koning Filips II van Frankrijk en vocht met hem tegen Richard I van Engeland in de veldslagen van Issoudun en Aumale. Toen hij zelf aan de macht was gekomen veranderde hij zijn beleid echter en sloot in 1197 een verbond met Richard in diens hoofdzetel kasteel Gaillard. Vervolgens veroverde Boudewijn het grootste deel van de Artesië. Filips had dat graafschap verworven als bruidsschat van zijn eerste huwelijk met Boudewijns tante Isabella van Henegouwen, die inmiddels was overleden. Boudewijn steunde (1198) de verkiezing van Otto IV van Brunswijk tot Duitse koning en verwierf (1199) het graafschap Namen. Bij de Vrede van Péronne (1199) werd Filips verplicht een deel van de Artois terug te geven.

Otto IV en Paus Innocentius III reiken elkaar de hand. Uit de werkplaats van Diebold Lauber, 15e eeuw.
Otto IV en Paus Innocentius III reiken elkaar de hand

Op 23 februari 1200 legden Boudewijn en zijn echtgenote Maria van Champagne in de Sint-Donaaskathedraal te Brugge de kruisvaartgelofte af. Op 14 april 1202 verliet Boudewijn zijn graafschap om zich aan te sluiten bij de vierde Kruistocht. Maria was zwanger en bleef daarom achter als regentes.

De vierde kruistocht was in de greep van de economische belangen van de Republiek Venetië. Daarom nam Boudewijn eerst deel aan de verovering van Zadar, een opkomende concurrent van Venetië. Vervolgens trokken de kruisvaarders naar Constantinopel om in 1203 de pro-Venetiaanse Alexios IV Angelos te helpen om keizer te worden. Alexios werd in 1204 door een binnenlandse staatsgreep verdreven en dat was voor de kruisvaarders aanleiding om de stad te bestormen en te plunderen. Zij boden de keizerskroon aan de Doge van Venetië maar die weigerde. Daarop kozen ze een keizer uit hun midden. Op 9 mei 1204 werd Boudewijn tot keizer gekozen, boven Bonifatius van Monferrat. Op 16 mei werd Boudewijn gekroond in de Hagia Sophia. Boudewijn kreeg de stad Constantinopel en de gebieden ter weerszijden van de Bosporus en de Dardanellen, en enkele eilanden, toegewezen als persoonlijk bezit.
Als keizer probeerde Boudewijn samen met de paus om het Oosters Schisma te beëindigen. Politiek werd hij geconfronteerd met Bonifatius van Monferrat, die een zelfstandig koninkrijk vestigde rond Thessaloniki. Een onderlinge oorlog tussen de kruisvaarders kon met veel moeite worden voorkomen. In 1205 kwam de Griekse bevolking van Thracië in opstand en veroverde met Bulgaarse steun Adrianopel. Boudewijn belegerde de stad maar werd in april verslagen. Hij werd gevangengenomen en was sindsdien spoorloos. In 1206 ontving de paus een brief uit Bulgarije waarin werd medegedeeld dat Boudewijn was overleden. Zijn broer Hendrik volgde hem op als keizer.
Volgens de lokale folklore in Veliko Tarnovo, hoofdstad van het Tweede Bulgaarse Koninkrijk, werd Boudewijn gevangengezet in een toren in de muur van de vesting Tsarevets. Dit torentje is nog altijd (in herstelde staat) te zien en wordt lokaal Boudewijns Toren genoemd. Alberik van Troisfontaines verhaalt voorts dat Boudewijn de avances van een Bulgaarse koningin afsloeg, die hem prompt van poging tot verkrachting beschuldigde en hem liet executeren. De Bulgaarse vorst Joannitsa zou opdracht hebben gegeven Boudewijns lichaam in stukken te hakken en aan de honden te voederen. De honden zouden echter geweigerd hebben zijn lichaam te eten. Twintig jaar later verscheen er in Vlaanderen een kluizenaar ten tonele die beweerde de verloren gewaande Boudewijn te zijn. Deze Valse Boudewijn (waarschijnlijk ene Bertrand van Rais) slaagde erin enige volgelingen om zich heen te verzamelen, maar werd uiteindelijk ontmaskerd en in 1225 als bedrieger terechtgesteld.

Boudewijn trouwde op 13 januari 1186 te Château-Thierry met Maria van Champagne. Zij kregen twee dochters:
  • Johanna van Constantinopel
  • Margaretha II van Vlaanderen.

Boudewijn VIII, 17e graaf van Vlaanderen

Boudewijn (?, ca. 1150Bergen (België), 17 december 1195), bijgenaamd de Moedige, was als Boudewijn V graaf van Henegouwen (1171–1195), als Boudewijn I markgraaf van Namen (1188–1195) en als Boudewijn VIII graaf van Vlaanderen (1191–1194).
Hij was de zoon van Boudewijn IV van Henegouwen en Aleidis van Namen, en verwierf in zijn tijd aanzienlijke invloed in het politieke leven van West-Europa. Boudewijn was in april 1169 getrouwd met Margaretha van de Elzas, zuster van Filips van de Elzas, graaf van Vlaanderen. Hiermee werd de vrede definitief die een einde had gemaakt aan een vete tussen de graven van Vlaanderen en Henegouwen die een eeuw had geduurd. In 1171 volgde Boudewijn zijn vader op als graaf van Henegouwen. In 1180 arrangeerde de kinderloze Filips een huwelijk tussen Boudewijns dochter Isabella en Filips II van Frankrijk. Isabella kreeg van haar oom het graafschap Artois mee als bruidsschat.
Boudewijn had bereikt dat zijn rijke en machtige oom Hendrik de Blinde, die kinderloos was, hem tot erfgenaam had benoemd. Maar Hendrik hertrouwde op hoge leeftijd met een jonge vrouw en kreeg bij haar alsnog een dochter, die hij in plaats van Boudewijn aanwees als erfgename. Boudewijn beschouwde dit als een inbreuk op de gemaakte afspraken en begon een oorlog met zijn oom. Hendrik kreeg steun van de hertog Godfried III van Leuven, Hendrik III van Limburg, Floris III van Holland en een aantal kleinere heren, maar toch wist Boudewijn hem te verslaan. Keizer Frederik I van Hohenstaufen trad op als arbiter en bepaalde dat Boudewijn Namen zou erven en de status van rijksvorst zou krijgen, dat de dochter van Hendrik Longwy, La Roche-en-Ardenne en Durbuy zou erven en dat Luxemburg terug zou vallen aan de Duitse kroon.
Door zijn huwelijk met Margaretha, erfgename van de kinderloze graaf van Vlaanderen, Filips van de Elzas, had Boudewijn ook een aanspraak op Vlaanderen. Koning Filips II van Frankrijk was echter van plan om het graafschap aan de kroon te laten terugvallen. Toen Filips van de Elzas in 1191 in het Heilige Land overleed, had het nieuws lange tijd nodig om Europa te bereiken. Boudewijns kanselier, Giselbert van Bergen, was in Italië toen hij het nieuws hoorde. Het lukte hem om Boudewijn te informeren voordat het nieuws koning Filips bereikte. Boudewijn had nu gelegenheid om Vlaanderen binnen te trekken en zijn vrouw als gravin te laten erkennen, voordat Filips II in actie kon komen. Uiteindelijk accepteerde Filips II de situatie in ruil voor 5000 zilveren marken, Boulogne, Saint-Pol en Guînes. Bij de dood van zijn vrouw Margaretha (15 november 1194) deed hij afstand van het graafschap Vlaanderen ten voordele van zijn oudste zoon Boudewijn.
Boudewijn is begraven in de Waltrudiskerk van Bergen.
De kinderen van Boudewijn en Margaretha waren:
  • Isabella, koningin van Frankrijk, gravin van Valenciennes
  • Boudewijn (IX), graaf van Vlaanderen en Henegouwen, keizer van het Latijnse Keizerrijk
  • Yolande, gehuwd met Peter II van Courtenay, keizer het Latijnse Keizerrijk na Hendrik
  • Filips, markgraaf van Namen
  • Hendrik, keizer van het Latijnse Keizerrijk, als opvolger van Boudewijn
  • Sibylle (1179-9 januari 1217), gehuwd met Guichard IV, heer van Beaujeu (-1216)
  • Eustatius (ovl. na 1217), legeraanvoerder van Hendrik in het Latijnse Keizerrijk, gehuwd met Angelina, dochter van Michaël I Komnenos Doukas, heer van Epirus.
Boudewijn had een buitenechtelijke zoon: Godfried, provoost in Brugge, Mechelen en Douai, aartsdeken in Cambrai.

Filips Van Den Elzas



Filips van de Elzas (1142 – bij Akko, 1 juni 1191) was graaf van Vlaanderen van 1168 tot aan zijn dood. Hij was de tweede zoon van Diederik van de Elzas en Sybille van Anjou.

Tekening van het zegel op een oorkonde van Filips van de Elzas

Door zijn vader was hij tot regent van het graafschap aangesteld tijdens diens derde reis naar het Heilig Land in 1157. In de praktijk bekleed met de titel van graaf, nam hij sinds dat jaar actief deel aan de regering, ook na de terugkeer van zijn vader in 1159. Toen deze in 1168 overleed, werd hij ook officieel graaf van Vlaanderen.
Elisabeth van Vermandois

Door zijn huwelijk met Elisabeth van Vermandois (in 1159), dochter van Roeland I van Vermandois, verwierf Filips in 1163 het graafschap Vermandois en de afhankelijkheden Amiens en Valois, waardoor Filips' machtsgebied in het zuiden nu tot aan het Franse kroondomein reikte, het Île de France. Na de dood van Elisabeth (1183) eiste de Franse koning Filips August echter haar bezittingen op, doch na onderhandelingen mocht Filips ze levenslang behouden; niettemin stond hij vrijwillig Valois aan zijn schoonzuster Eleonora af.

Philippe II Auguste.jpg
Filips August

In 1184 hertrouwde Filips met Mathilde, dochter van koning Alfons I van Portugal. Zijn beide huwelijken bleven kinderloos. Het besef dat het Huis van de Elzas in mannelijke lijn zou uitsterven, heeft Filips ertoe gedreven een politiek te voeren die erop gericht was het Franse kroondomein te beheersen. In 1180 liet hij zijn nicht Isabella van Henegouwen huwen met de jonge Franse koning Filips II August, die onder zijn voogdij stond. Dat bleek echter een misrekening, want Filips Augustus ging zijn eigen politiek voeren, die van hem de grote hersteller van de koninklijke macht zou maken. Toen Filips van de Elzas overleed viel het zuidelijk deel van Vlaanderen (het latere graafschap Artesië), dat hij als huwelijksgift aan Isabella had geschonken, aan Frankrijk.

Boudewijn de Moedige

Na de mislukking van zijn politiek tegenover Filips II August zocht Filips van de Elzas compensatie in zijn Palestijnse ambities, die evenmin met succes werden bekroond. Tijdens zijn tweede tocht naar het Heilige Land stierf hij aan een epidemische ziekte bij de belegering van Akko. Hij werd opgevolgd door zijn zus Margaretha en zijn zwager, Boudewijn de Moedige, die als Boudewijn VIII ook graaf van Vlaanderen werd.


Op binnenlands vlak werd Filips' beleid gekenmerkt door een krachtige stedelijke politiek. Zijn voornaamste verwezenlijking was de uitbouw van zijn graafschap tot een moderne staat. Hij verleende eenvormige keuren aan de grote Vlaamse steden, en voerde ingrijpende wijzigingen door op gerechtelijk gebied (vernieuwing van het strafrecht, instelling van de baljuws). Ook steunde hij een reeks opmerkelijke economische initiatieven, onder meer de stichting van de havens Grevelingen, Nieuwpoort, Damme en Biervliet. In de eerste periode van zijn regering (die samenvalt met deze vernieuwingen) werd graaf Filips geïnspireerd door zijn kanselier, Robrecht van Ariën, bisschop-elect van Atrecht en Kamerijk, maar in de periode nadien ziet het er naar uit dat hij zelf zijn beleid heeft uitgetekend. Filips van de Elzas was een geletterd vorst en zijn hof groeide uit tot een centrum van cultuur. Het grafelijk hof reisde rond, zoals gebruikelijk in die tijd, en verbleef onder andere in het Kasteel van Wijnendale. In 1180 liet graaf Filips het Gravensteen te Gent optrekken als verblijfplaats voor het grafelijk geslacht. Ook in de krijgskunst wist hij zich een goede reputatie op te bouwen.

Hij bezorgde Vlaanderen ook het huidige wapenschild: de klimmende leeuw van sabel, getongd en genageld van keel, op het gouden veld. Er wordt wel eens beweerd dat hij het meebracht uit het Heilige Land, waar hij het in 1177 zou hebben veroverd op een Saraceense ridder, maar dat is een mythe. Alleen al het feit dat de Leeuw op zijn zegel uit 1163 verschijnt, toen hij nog geen voet in de Oriënt had gezet, spreekt dit verhaal tegen. In werkelijkheid volgde Filips gewoon een West-Europese mode; ongeveer in dezelfde periode verscheen er ook een leeuw in de wapens van Brabant, Holland, Limburg en andere vorstendommen.


Hoewel er geen enkel historisch bewijs voor bestaat, vinden we vanaf de 14e eeuw in verschillende wapenboeken de bewering dat het huis van Vlaanderen vóór de Leeuw een gegeerd schild van twaalf stukken van lazuur en goud voerde, met een hartschild van keel. Dit werd toegeschreven aan de legendarische Liederik van Buc, van 793 tot 817 eerste Forestier of woudmeester (titel van de Vlaamse prinsen vóór ze graaf werden) van Vlaanderen. Het is waarschijnlijk afgeleid van een verkeerd geïnterpreteerd sierbeslag op het schild van de Vlaamse graaf Willem Clito (1102-1128), zoals het stond afgebeeld op zijn grafmonument in de Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars. Dat schild vertoont centraal een umbo (sierknop) van waaruit enkele stralen naar de schildranden vertrekken. In zijn zoektocht naar het oude wapen van Vlaanderen heeft abt Iperius, biograaf van het Vlaamse gravenhuis, dit geïnterpreteerd als een gegeerd wapen met een hartschild; de kleuren - die hij er zelf aan moet hebben toegevoegd - zijn vermoedelijk deze van het Franse koningshuis. Zo krachtig was zijn visie dat dit wapen in nauwelijks 30 jaar tijd volkomen ingeburgerd raakte.

Margaretha van de Elzas (1145 - Brugge, 15 november 1194) was gravin van Vlaanderen van 1191 tot 1194.
Zij was de dochter van de Vlaamse graaf Diederik van de Elzas en zuster van zijn opvolger Filips van de Elzas. In 1160 was zij in het huwelijk getreden met Roland II van Vermandois maar omdat bleek dat hij lepra had is het huwelijk niet geconsumeerd en is het paar gescheiden. In 1169 trouwde ze met Boudewijn V, erfgenaam van Henegouwen en Namen.
Na de dood van haar kinderloze broer Filips werd Margaretha in 1191 erfgename van Vlaanderen, zodat zij en Boudewijn (als Boudewijn VIII van Vlaanderen) samen gravin en graaf van Vlaanderen werden, echter voor korte tijd, omdat zij reeds in 1194 overleed, waarna haar echtgenoot afstand deed van Vlaanderen ten voordele van hun zoon Boudewijn (IX). Ze is begraven in de Sint-Donaaskathedraal te Brugge.
Margaretha en Boudewijn kregen de volgende kinderen:
  • Isabella, koningin van Frankrijk, gravin van Valenciennes
  • Boudewijn (IX), graaf van Vlaanderen en Henegouwen, keizer van het Latijnse Keizerrijk
  • Yolande, gehuwd met Peter II van Courtenay, keizer het Latijnse Keizerrijk na Hendrik
  • Filips, markgraaf van Namen
  • Hendrik, keizer van het Latijnse Keizerrijk, als opvolger van Boudewijn
  • Sibylle (1179-9 januari 1217), gehuwd met Guichard IV, heer van Beaujeu (-1216)
  • Eustatius (ovl. na 1217), legeraanvoerder van Hendrik in het Latijnse Keizerrijk, gehuwd met Angelina, dochter van Michaël I Komnenos Doukas, heer van Epirus.

maandag 5 maart 2012

Diederik Van Den Elzas, de 16e Graaf van Vlaanderen


Diederik brengt het Heilig Bloed naar Brugge

Diederik (of Dirk) van de Elzas (ca. 1100 - Grevelingen (stad), 4 januari 1168) was graaf van Vlaanderen van 1128 tot aan zijn dood. Hij was een zoon van hertog Diederik II van Lotharingen en Gertrudis van Vlaanderen, dochter van graaf Robrecht I van Vlaanderen.

Als kleinzoon van graaf Robrecht I de Fries kon hij na de moord op Karel de Goede in 1127 via zijn moeder Gertrudis rechten doen gelden op de troon van Vlaanderen. Koning Lodewijk VI had echter Willem Clito, eveneens in de moederlijke lijn afstammend van de Vlaamse graven, als graaf benoemd. Dit was tegen de zin van de Vlaamse steden en van de pro-keizer gezinde adelsfractie in Vlaanderen. Gent, Brugge, Rijsel en Sint-Omaars, en een aantal edelen vroegen Diederik, toen heer van Bitche, om graaf van Vlaanderen te worden. Er ontstond een strijd tussen Willem en Diederik. Lodewijk liet Diederik excommuniceren en belegerde hem in Rijsel. De Franse koning moest zich echter terugtrekken toen bleek dat Diederik de steun van Hendrik I van Engeland had. In 1128 leed Diederik nederlagen bij Tielt en Oostkamp en moest hij vluchten, eerst naar Brugge en daarna naar Aalst. Willem belegerde de stad maar werd op 27 juli dood in zijn tent aangetroffen. Dit werd door beide partijen als een teken gezien dat Diederik de rechtmatige graaf was, en er werd vrede gesloten. In 1132 huldigde Diederik Lodewijk als zijn koning, in ruil voor zijn steun tegen de aanspraken van Boudewijn IV van Henegouwen. In de strijd tussen Frankrijk en Engeland probeerde hij een neutrale positie te bewaren, hetgeen de Vlaamse handel ten goede kwam. Onder zijn bewind konden de steden zich ontwikkelen en werden de instellingen organisatorisch hervormd.




In 1139 bezocht Diederik Jeruzalem en trouwde daar met Sybille van Anjou, weduwe van Willem Clito en dochter van Fulco koning van Jeruzalem. Hij leidde een succesvolle expeditie naar Panias en nam deel aan de invasie van Gilead (het gebied ten oosten van de Jordaan). In datzelfde jaar keerde hij terug naar huis om Godfried II van Leuven bij te staan in de Grimbergse Oorlogen.
Diederik nam deel aan de tweede kruistocht (Zie extra pagina). Hij gaf leiding aan de oversteek van de Meander (rivier) en vocht mee in een veldslag bij Konya (stad). Diederik nam deel aan het beraad waarin werd besloten om Damascus aan te vallen, tegen de zin van de lokale kruisvaarders die aanvoerden dat ze altijd in vrede met Damascus hadden geleefd. Diederik eiste de stad op als hoofdstad voor zijn eigen kruisvaardersstaat en werd daarin gesteund door zijn zwager Boudewijn III van Jeruzalem, Lodewijk VII van Frankrijk en Koenraad III van Hohenstaufen - zeer tegen de zin van de leiders van de

Krooning, Boudewijn III
Boudewijn III van Jeruzalem
 
kruisvaardersstaten. Door onderlinge verdeeldheid van de kruivaarders liep het beleg na vier dagen al uit op een mislukking en trokken de kruisvaarders zich terug op Jeruzalem. In 1150 keerde hij terug naar Vlaanderen. Boudewijn van Henegouwen probeerde namelijk om Vlaanderen te veroveren maar Sybille (die als regentes was achtergebleven) wist hem te weerstaan en liet ook plundertochten in Henegouwen uitvoeren. Het volgende jaar sloot Diederik vrede met Boudewijn, met de afspraak dat hun kinderen zouden trouwen.
De zegel met de afbeelding van Filips Van den Elzas

In 1156 trok Diederik voor de derde maal naar het Heilige Land. Ditmaal nam hij Sybille mee, en liet zijn zoon Filips van de Elzas achter als regent. Diederik nam deel aan het belg van Shaizar, dat mislukte toen hij ruzie kreeg met Reinoud van Châtillon over de vraag wie de vesting zou bezitten als die was veroverd. In 1159 keerde Diederik terug naar Vlaanderen maar Sybille bleef achter en trad in een klooster. Diederik liet Filips een belangrijk aandeel houden in het bestuur. In 1164 trok hij een vierde maal naar het Heilige Land en bezocht samen met Amalrik I van Jeruzalem de steden Antiochië en Tripoli (Libanon). Na zijn thuiskomst in 1166 zegelde hij met een dadelpalm.
Diederik zou het relikwie van het Heilig Bloed hebben meegenomen van zijn reizen. Hij werd begraven in de abdij van Waten.

Sommige bronnen vermelden dat Diederik in zijn eerste huwelijk zou zijn getrouwd met de weduwe van Karel de Goede, Margaretha van Clermont. Dit is echter vrijwel zeker niet het geval. Van zijn eerste vrouw is bekend dat ze Swanhilde heette, dat ze op 4 september 1132) is overleden, en dat Diederik en zij in een te nauwe bloedverwantschap stonden. Diederik en Swanhilde kregen een dochter: Lauretta.
Diederik en Sybille hadden de volgende kinderen:
  • Boudewijn, overleden voor 1154
  • Filips
  • Mattheüs, gehuwd met gravin Maria van Boulogne
  • Peter (-1176), proost van Brugge en Sint-Omaars, bisschop van Kamerijk, gaf zijn kerkelijke functies op om te trouwen met Mathilde, de weduwe van Gwijde van Nevers en werd zo graaf van Nevers. Hij kreeg een dochter Sybille die trouwde met Robert van Wavrin, seneschalk van Frankrijk.
  • Gertrude (-1186), gehuwd met Humbert III van Savoye en daarna met Hugo III van Oisy.
  • Margaretha, gravin van Vlaanderen, gehuwd met graaf Boudewijn V van Henegouwen
  • Matilda (ovl. 24 maart ca. 1194), 1187 abdis van Fontevraud
Diederik had daarnaast drie buitenechtelijke kinderen:
  • Gerard (ovl. 1206), provoost van Brugge, kanselier van Vlaanderen, lid van de raad van regenten in 1202.
  • Willem Bron (ovl. voor 1167), getrouwd met Christiana, ze hadden een zoon die ook Willem Bron heette.
  • Conon

Kortstondig graafschap van Willem Clito

Willem Clito of Willem van Normandië (Rouen, 25 oktober 1102 – bij Aalst, 28 juli 1128) was de zoon van graaf Robert van Normandië en Sybille van Conversano. Zijn leven stond in het teken van vergeefse pogingen om het graafschap Normandië op koning Hendrik I van Engeland te heroveren. Gedurende zijn laatste levensjaar was hij Graaf van Vlaanderen.
De toevoeging Clito is het Latijns equivalent voor het Angelsaksische "Aetheling" en het Duitse "Adelinus". Ze betekenen "man van koninklijke bloede" of "prins".


Nadat zijn vader in 1106 bij de Slag van Tinchebrai het gezag over Normandië verloor aan diens jongere broer, de Engelse koning Hendrik I, werd de vierjarige Willem Clito door Hendrik toevertrouwd aan de zorgen van Helias van Saint-Saens, de echtgenoot van een buitenechtelijke dochter van Robert Courteheuse. In 1112 wou de koning de jongen naar zijn hof in Engeland brengen maar dankzij Helias' knechten konden ze tijdig naar Vlaanderen vluchten waar ze onderkomen vonden bij Boudewijn VII van Vlaanderen. Deze was eveneens een vijand van Hendrik (Boudewijns vader Robert II was in 1111 gestorven in de strijd tegen de koning). Boudewijn meende met Willem de rechtmatige hertog van Normandië in handen te hebben. Ofschoon Robert na de Slag van Tinchebrai door Hendrik gevangen was genomen en zijn hertogelijk titel had behouden.

Henry1.jpg
Hendrik I

In 1116 sloeg Boudewijn Willem tot ridder en 2 jaar later barstte de oorlog volledig los met aan de ene kan Hendrik I en Theobald van Blois en aan de andere kant Boudewijn VII, Louis VI van Frankrijk en Fulco V van Anjou gesteund door opstandige Normandische edelen. Boudewijn werd verwond in de strijd en overleed een jaar later aan diezelfde verwondingen. Lodewijk verloor de slag bij Brémulede in 1119 en moest Willem Adeling als nieuwe hertog erkennen. Ook Fulco V gooide handdoek in de ring nadat zijn dochter met Willem Adeling trouwde. Tevergeefs probeerde Willem Clito nog een regeling bij Hendrik af te smeken, waarbij hij beloofde zijn rechten op Normandië op te geven als Hendrik zijn vader zou vrijlaten.



Enige jaren later meende Willem Clito een nieuwe machtsbasis te hebben gevonden om een aanval op Hendrik te ondernemen. Willem Adeling was in 1120 verdronken en liet zijn vader achter zonder mannelijke erfgenaam. Willem Clito was door een huwelijk met Sybille van Anjou Graaf van Maine geworden en omdat Sybille de dochter van Fulco V van Anjou was, waren de banden met hem steviger aangehaald. Ook Lodewijk VI was opnieuw bereid om zich bij een coalitie aan te sluiten. Toen Hendrik lucht kreeg van het plan probeerde hij de paus Calixtus II ertoe over te halen om het huwelijk van Willem Clito te laten ontbinden wegens te nauwe bloedbanden tussen de echtelieden. Ook sloot hij een militaire alliantie met de Duitse keizer Hendrik V die Lodewijk vanuit het oosten bedreigde. Lodewijk haakte af en het leger van Fulco en opstandige Normandische baronnen werd door Hendrik verslagen bij Bourgthéroulde op 26 Maart 1124. Het huwelijk met Sybille werd ontbonden en in 1127 huwde Willem Clito met Johanna, een dochter van Gisela van Bourgondië.
Nadat de Vlaamse graaf Karel de Goede in Maart 1127 vermoord werd voor het altaar van de Sint Donaaskerk in Brugge belandde Vlaanderen in een politieke crisis. Verschillende edelen zagen hun kans schoon om een aanspraak te maken op de grafelijke titel. In de verwarring gebruikte Lodewijk VI echter zijn recht als leenheer om over de opvolging te beslissen en benoemde Willem Clito tot Graaf van Vlaanderen en kreeg hij ook Pontoise, Chaumont, Mantes en de hele Vexin.
Een van de opstandige edelen, Willem van Ieper, werd in April 1127 gevangengenomen. Maar Willem Clito had nog steeds af te rekenen met Diederik van de Elzas die gesteund werd door Hendrik. Omdat Vlaanderen en Engeland economisch nauw verweven waren omdat de Vlaamse lakenindustrie Engelse wol verwerkte sloot Hendrik de woltoevoer af en veroorzaakte grote onrust in Vlaanderen. Desondanks wist Willem op 21 Juni 1128 Diederik bij Axpoele te verslagen. Diederik vluchtte naar Aalst waar de burgerij onder leiding van Iwein van Aalst in opstand was gekomen. Samen met Godfried van Leuven belegerde de jonge graaf een maand later (27-28 Juli) de stad Aalst. Bij een aanval op het kasteel werd Willem verwond aan de hand en stierf 5 dagen later vermoedelijk aan gangreen. Pas nadat de stad veroverd was werd hij begraven in de Abdij van Sint-Bertinus in Sint-Omaars.


De huide vlag van West-Vlaanderen is waarschijnlijk afgeleid van een verkeerd geïnterpreteerd sierbeslag op het schild van graaf Willem Clito, zoals het stond afgebeeld op zijn grafmonument in de Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars. Dat schild vertoont centraal een umbo (sierknop) van waaruit enkele stralen naar de schildranden vertrekken. In zijn zoektocht naar het oude wapen van Vlaanderen heeft abt Iperius, biograaf van het Vlaamse gravenhuis, dit geïnterpreteerd als een gegeerd wapen met een hartschild; de kleuren - die hij er zelf aan moet hebben toegevoegd - zijn vermoedelijk deze van het Franse koningshuis.

Karel de Goede

Portret op papier van Karel de Goede in de Sint-Salvatorskathedraal

Karel, bijgenaamd de Goede (?, ca. 1080/86Brugge, 2 maart 1127) was graaf van Vlaanderen van 1119 tot aan zijn dood. Hij trouwde met Margaretha van Clermont, dochter van Reinoud II.

Karel van Denemarken, later Karel de Goede genaamd, werd geboren in Denemarken als zoon van koning Knoet IV van Denemarken en van Adela van Vlaanderen, dochter van graaf Robrecht I de Fries en Geertruida van Saksen. Na de moord op haar echtgenoot in 1085 vluchtte Adela met haar kinderen Ingertha, Cecilia en Karel naar haar vader Robrecht de Fries. Adela hertrouwde later met Rogier Bursa, hertog van Apulië. Karel van Denemarken bleef bij zijn grootvader en oom aan het grafelijk hof en genoot er een goede opvoeding. Zoals veel ridders uit die tijd, vertrok Karel van Denemarken ook op pelgrimstocht naar het Heilige Land (1107-1108).
Hij fungeerde als raadgever voor zijn neef, graaf Boudewijn VII van Vlaanderen, bijgenaamd 'Hapkin'. Zijn naam komt dan ook voor op verschillende akten vanaf 1112. Hij nam ook deel aan het neerslaan van de opstand van de Zuid-Vlaamse leengraven in 1115 en 1117. Hij was regent van Vlaanderen toen Boudewijn VII op veldtocht ging naar Normandië in 1117 en 1118 en tevens tijdens de laatste levensmaanden van de graaf in 1119.
Karel volgde zijn kinderloze neef Boudewijn VII op, die hem had aangewezen als zijn opvolger, nog vóór diens dood op 17 juni 1119. Ondanks enige weerstand tegen zijn persoon werd hij toch als graaf van Vlaanderen erkend. Zijn bijnaam de Goede kreeg Karel van Denemarken tijdens de hongersnood die in 1124-1125 heel Europa teisterde. Via verschillende maatregelen kon hij verhinderen dat het dodenaantal erg hoog opliep.
Karel was een godvruchtig vorst en zijn hele binnenlandse politiek was vooral gericht op de vestiging en de handhaving van de openbare vrede door de bestrijding van onrecht en armoede. Hierdoor ontstemde hij een deel van de kleine adel, onder meer de rijke familie van Erembald, die er eerder in geslaagd was zich te doen opnemen in de adel, hoewel zij van onvrije afkomst was. De Erembalden waren uit Veurne afkomstig en leverden de burggraven van Brugge.

De moord op Karel de Goede

Toen de graaf naar aanleiding van een juridisch dispuut de onvrije afkomst van de Erembalden in het openbaar beklemtoonde, werd hij het slachtoffer van een samenzwering, geleid door Bertulf, proost van het Brugse Sint-Donaaskapittel en zelf een lid van de clan der Erembalden. Hij werd in de Sint-Donaaskerk te Brugge vermoord. Achtentwintig samenzweerders werden gevangengenomen en, op bevel van de Franse koning Lodewijk VI, van de hoogste toren van de burcht naar beneden geworpen. Eén van zijn moordenaars, Wido van Steenvoorde, werd in Reningelst gedood in een tweegevecht met Herman den Isèren.
Mede door het ontbreken van een rechtstreekse erfgenaam, veroorzaakte Karels dood een ernstige politieke crisis. Hiervan maakte de koning van Frankrijk gebruik om de Normandiër Willem Clito, kleinzoon van Mathilde van Vlaanderen (getrouwd met Willem de Veroveraar), die een zuster was van Robrecht de Fries als graaf op te dringen (23 maart 1127). Dit stootte op het verzet van Brugge en Gent.



Uiteindelijk werd Karel opgevolgd door een neef, Diederik van de Elzas, die de machtsstrijd won dankzij de steun der Vlaamse steden. Dit was de eerste gelegenheid waarbij de steden een doorslaggevende rol speelden in de Vlaamse politiek.
De aanleiding en gevolgen van de moord zijn erg gedetailleerd beschreven in het dagboek van zijn secretaris Galbert van Brugge.


Gebrandschilderd glas. België, Turnhout, parochiekerk

In 1884 werd Karel de Goede door de Katholieke Kerk zalig verklaard. Zijn neogotische reliekschrijn (1883-1885) staat in een zijkapel van de Sint-Salvatorskathedraal (Brugge). In de middenbeuk kan men het oud houten portret van hem terugvinden. Zijn rechter bovenrib werd bewaard in een kristallen, neogotisch reliekschrijn, die sinds 1880 was tentoongesteld in de Torhoutse St.-Pieterskerk. Het werd er gestolen op 16 juli 2004.

Levensloop van Karel

Karel was nog maar een kind, toen zijn vader werd gedood en zijn moeder, koningin Adela, met hem naar Vlaanderen vluchtte. Daar woonde Karels opa, graaf Robrecht I. Terwijl zijn moeder hertrouwde met de hertog van Apulië, kreeg hij in Vlaanderen zijn opleiding. Hij leerde lezen en schrijven en bekwaamde zich in alle vaardigheden waarover een toekomstig ridder diende te beschikken. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat hij vroom en godsdienstig was.
In 1093 overleed graaf Robrecht. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Robrecht II. Deze nam deel aan de kruistocht tegen de Saraceense bezetters van het Heilige Land in 1099. Daar vestigde hij de aandacht op zich door zijn moed en strategisch inzicht. Door zijn aandeel in de bevrijding van Jeruzalem op 15 juli van dat jaar kreeg hij de bijnaam Robrecht van Jeruzalem.
Karel was nog een tiener, te jong om mee te gaan met zo’n riskante onderneming. Hij heeft zijn oom na drie jaar afwezigheid zien terugkeren. Een glorieus moment. Het zal de vrome ridderidealen in zijn hart hebben aangewakkerd. Niet lang daarna ging hij zelf op kruistocht, en keerde op zijn beurt terug, overladen met eer en roem, omdat hij zich had onderscheiden in moed en liefde voor de heilige plaatsen. Enkele maanden na zijn terugkeer sneuvelde oom Robrecht II tijdens een of ander beleg: 1111.

RaadsmanHij werd opgevolgd door zijn achttienjarige zoon Boudewijn VII. De jongeman stond bekend om zijn rechtvaardigheid. Hij droeg altijd een bijl bij zich, een ‘happe’, om de orde te handhaven. Vandaar dat hij de geschiedenis is ingegaan als Boudewijn Hapken. Hij koos Karel als zijn vertrouwensman en samen maakten zij een eind aan de onophoudelijke familietwisten die Vlaanderen tot dan toe teisterden. ‘Om het bezit van de macht werd in die feodale maatschappij geïntrigeerd, uitgehuwelijkt, gestreden en desnoods geroofd en gemoord,’ aldus Carlos H. Vlaemynck wiens beschrijving wij hier volgen. Om weerloze mensen te beschermen tegen dit geweld, had men in de afgelopen jaren al geprobeerd paal en perk te stellen aan deze privé-oorlogjes. Zo hadden de Franse bisschoppen een ‘Godsvrede’ afgekondigd, welke ook was overgenomen door de Vlaamse graaf. Deze hield in dat er slechts honderd dagen per jaar gevochten mocht worden. Het was in ieder geval verboden tijdens de advent en de vasten, op feestdagen van belangrijke heiligen en door de week van woensdagavond tot maandagmorgen.
Boudewijn Hapken overleed op 17 juni 1119 aan de gevolgen van de verwondingen die hij had opgelopen tijdens een gevecht met de Engelsen bij de verdediging van de Franse stad Eu. Omdat hij kinderloos was, wees hij op zijn sterfbed zijn vertrouweling Karel aan als zijn opvolger. Daarmee sneed hij de pas af van een aantal andere gegadigden die reeds op de loer lagen om zich van het graafschap meester te maken.

Graaf van VlaanderenTwee jaar tevoren was Karel getrouwd met Margaretha van Clermont. Zijn eerste zorg was het handhaven van de Godsvrede. Dat was al niet eenvoudig. Ook had hij veel te stellen met zogeheten ‘ministerialen’, de dienstadel: lieden die vanuit lagere klassen tot eenvoudige adel waren opgeklommen, en zich nu wilden laten gelden.
In 1123 bereikte hem het verzoek vanuit Palestina om daar koning van Jeruzalem te worden. Men herinnerde zich zijn moed en vroomheid nog heel goed. De vorige koning was door de Saracenen gevangen genomen en de toestand stond er niet best voor. Men had er alle vertrouwen in dat Karel hier de ideale vorst zou zijn. Karel was vereerd met het vertrouwen en de complimenten, maar hij antwoordde dat hij thuis nog veel te doen had, en dat hij de onderdanen die onder de onderlinge familietwisten te lijden hadden, niet in de steek wenste te laten. Twee jaar later stonde de Duitse keurvorsten op de stoep. Of hij niet keizer wilde worden van het Heilige Roomse Rijk. Nog eervoller. Weer wees hij het verzoek van de hand.

Handhaver van recht en ordeKarel toonde zich een sociaal voelend vorst. Hij was begaan met de armen en de eenvoudige mensen uit zijn graafschap. Dat bleek eens te meer, toen er in 1126 hongersnood uitbrak. In 1124 en 1125 waren de winters streng geweest; het land had nagenoeg niets opgeleverd. Karel vaardigde een verbod uit om bier te brouwen, zodat het graan dat daarvoor nodig was, gebruikt kon worden om brood te bakken. Tegelijk stelde hij een maximumprijs vast voor wijn, om te voorkomen dat handelaren misbruik zouden maken van het biertekort. De bakkers legde hij op een kleiner formaat brood te bakken, zodat het ook voor arme mensen nog mogelijk was iets te kopen. Zelf doorkruiste hij zijn grondgebied om te controleren of men zich aan zijn bepalingen hield. Bij zulke gelegenheden kocht hijzelf brood om het aan de armen ter plaatse uit te delen. Grafelijke residenties deden dienst als voedselbanken. Soms deelde men ook kleding uit aan lieden bij wie de kleren in rafels van het lijf hingen..
Natuurlijk waren er altijd lieden die winst probeerden te slaan uit de schaarste en woekerprijzen rekenden. Daartoe behoorde Bertulf, de proost van de St-Donaaskerk te Brugge.
Deze was gelegen op de plek waar zich thans het plein van de Burcht bevindt.
Niemand wist dat de familie van Bertulf, het geslacht Eremboud, eigenlijk behoorde tot de ‘ministerialen’. Weliswaar had hij zich opgewerkt tot voorzitter van het kapittel en kanselier van Vlaanderen, maar het was zijn dagelijkse zorg dat zijn lage afkomst niet aan het licht zou komen.
Tijdens Karels controletochten door zijn graafschap waren er te Brugge schepen uit het oosten aangekomen, tot de boord toe gevuld met graan, bestemd voor de uitgehongerde bevolking. De Erembouds maakten gebruik van Karels afwezigheid en kochten grote hoeveelheden op om deze met woekerwinst door te verkopen. Maar zodra Karel bij terugkomst hiervan hoorde, nam hij woedende maatregelen. Hij ontbood Bertulf die hij flink de les las. De man mompelde nog dat het alleen maar voor eigengebruik was. De graaf liet de goed verborgen voorraden graan uit zijn kelders en van zijn zolders halen, en gaf hem het geld terug dat hij ervoor betaald had. Vervolgens stelde hij het graan ter beschikking van de arme bevolking.
Dit alles zette kwaad bloed bij zijn tegenstanders. Zij noemden hem Karel de Dwaze. Intussen zag Karel er ook op toe dat de ‘Godsvrede’ werd nageleefd. Hoe vaak gebeurde het niet dat iemand vanuit een hinderlaag werd vermoord. Dat ging echter in tegen de ridderethiek. Met het oog daarop verbood hij het dragen van wapens.

De wraakOverbodig te zeggen dat Bertulf en zijn familie zonnen op wraak. De aanleiding kwam, toen Karel weer eens een riddertoernooi organiseerde. Bij die gelegenheid gaf een der ridders te kennen niet te willen vechten met zijn tegenstander, Robrecht de Crecques, omdat hij geen ridder was, maar een horige. Deze Robrecht was immers getrouwd met een horige vrouw en de Vlaamse wet bepaalde, dat een edelman die benden zijn stand gehuwd was, na één jaar en één dag samenleven zelf tot die lagere stand verviel. En dat was het geval bij De Crecques. De vrouw van deze De Crecques bleek de nicht van Bertulf. Eens te meer werd deze met zijn neus op het feit gedrukt dat hij niet van adellijke afkomst was. Natuurlijk vocht hij de beschuldiging aan, en beweerde wel degelijk van vrije afkomst te zijn. Graaf Karel belegde een rechtszitting waarin de Erembouds werden opgeroepen hun vrije afkomst aan te tonen. Maar daartoe waren zij niet in staat. Nu liep de familie het risico uit alle functies en ambten te worden ontheven die alleen aan adellijke lieden waren voorbehouden. De Erembouds besloten tijdens een geheime bijeenkomst te Ieper graaf Karel uit de weg te ruimen.
Het was een neef van proost-kanselier Bertulf, Borsiard, die zich belastte met de uitvoering van deze taak. Deze man had zijn eigen reden om Karel te haten. Kort tevoren was hij door de graaf streng gestraft vanwege het schenden van de ‘Godsvrede’. Hij had in de tijd dat de graaf er niet was, middels gewapende strooptochten goederen van anderen verwoest of geplunderd. Daarop had Karel in overleg met zijn raadslieden besloten dat zijn stenen kasteeltje moest worden afgebroken.
In de vroege ochtend van 2 maart van het jaar 1127 is het zo mistig dat je op een speerlengte al niets meer kan zien, aldus een kroniek die het gebeurde nauwkeurig verslaat. Vergezeld van enkele ridders en wat bedienden gaat de graaf naar de St-Donaaskerk vlak naast zijn kasteel om er de mis bij te wonen. Tijdens de mis heeft hij juist een arme vrouw die bij hem voorbij was gekomen wat geld toegestopt, als uit het donker geruisloos zes gestalten opduiken, gehuld in wijde mantels waarin ze hun zwaard verborgen houden. Boisard snelt op de graaf toe die geknield voor het altaar zit. Heel even raakt hij de graaf aan met zijn zwaard, zodat deze opkijkt; met één houw maakt de aanvaller een eind aan het leven van Karel de Goede. Ook degenen die de met de graaf zijn meegekomen, worden genadeloos afgemaakt.

Zo verging het Karel op precies dezelfde wijze als zijn vader. Omgebracht tijdens zijn gebed in de kerk omwille van de rechtvaardigheid.
Daags na de aanslag werd Karel bijgezet in de St-Donaaskerk. De volgende dag was het nieuws van deze gebeurtenissen al doorgedrongen in Frankrijk en Engeland. De daders werden uiteindelijk allemaal gegrepen en ter dood gebracht.

Verering & CultuurVan het begin af hebben de gelovigen Karel de Goede vereerd als een martelaar: iemand die net als Jezus zijn leven heeft gegeven voor de goedheid van God. Op de plek van zijn dood is sinds enige jaren een gedenkteken aangebracht. Zijn relieken bevinden zich in de Brugse St.-Salvatorkerk. Hij werd zalig verklaard in 1883 door paus Leo XIII.
 

PatronatenHij is patroon van bisdom Brugge.
Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld als graaf met ambtsketenen en zwaard (om recht te spreken); met een beurs met geld of geldstukken om als aalmoes uit te delen.

Boudewijn VII van Vlaanderen

 
Boudewijn VII bijgenaamd Hapkin ofwel met de Bijl (?, 1093Roeselare, 17 juni 1119) was graaf van Vlaanderen van 1111 tot aan zijn dood.
Als zoon van Robrecht II van Jeruzalem en van Clementia van Bourgondië, volgde hij, nauwelijks achttien jaar, zijn vader op in 1111. Hij was zelfs nog niet tot ridder geslagen. De Franse koning Lodewijk VI zorgde voor een snelle opvolging, sloeg hem tot ridder en benoemde hem als graaf. Hij vreesde immers voor eventuele aanspraken van Boudewijn III van Henegouwen, afstammeling van Arnulf III van Vlaanderen, die het graafschap Vlaanderen ontnomen was door Robrecht de Fries. De Franse koning verzekerde zich hierdoor van de loyale steun van het graafschap Vlaanderen in zijn strijd tegen de Engelse koning Hendrik I.
Aanvankelijk deelde hij het bestuur met zijn moeder Clementia van Bourgondië. Maar reeds in 1113 kwam hij in conflict met haar. Het ging om haar weduwengoed, haar toegezegd door Robrecht de Fries bij haar huwelijk met Robrecht II. Het ging om een omvangrijk gebied, misschien wel een derde van het graafschap Vlaanderen. Boudewijn VII aanzag dit terecht als een ernstige aantasting van zijn gezag en zijn financiële middelen. Zij dreigde, met behulp van bisschop Lambert van Atrecht, de zaak aan te spannen voor de Vlaamse edellieden in de Vlaamse curia of zelfs voor de Franse koning, als opperrechter. Later is echter alles in der minne geregeld met de graaf als hoeder van de gronden van zijn moeder.

Karel van Denemarken

Hij werd bijgestaan als raadgever door zijn neef Karel van Denemarken, zoon van de vermoorde koning Knoet IV van Denemarken en Adela van Vlaanderen, en opgevoed aan het grafelijke hof. Hij zou zelfs de graaf vervangen, toen Boudewijn VII in 1117 en 1118 deelnam aan de oorlog in Normandië en ook tijdens de laatste maanden van de doodzieke graaf in 1119.
In het spoor van zijn voorgangers, Robrecht I en Robrecht II, gaf hij bij de opkomst van de steden en de handel blijk van grote gestrengheid inzake de godsvrede, die hij herhaaldelijk hernieuwde, o.a. in 1114 te Sint-Omaars. Hij deed grote inspanningen om recht en orde te doen zegevieren. Zelfs als jeugdige graaf viel er met hem niet te spotten. Amper twee maanden na zijn aanstelling, liet hij, naar men verhaalt, een roofridder levend koken op de markt van Brugge. Hij werd gevreesd voor zijn strenge optreden tegen boeven, roofridders en rebellerende edelen. Dit waren voornamelijk de Zuid-Vlaamse leengraven Walter II van Hasdin en Hugo II van Saint-Pol, die zich poogden aan het grafelijke gezag te onttrekken. Beiden moesten inbinden en het kwam tot een vredesakkoord. De steun die hij in ruil van de steden genoot, diende hem in zijn strijd tegen de adel. Boudewijns bijnamen herinneren aan zijn krachtdadig optreden tegen de verstoorders van de landvrede.

paus Paschalis II

Hij was in 1110 gehuwd met Havoise van Bretagne, dochter van hertog Alan IV. Maar het huwelijk werd niet lang daarna door paus Paschalis II ontbonden. De internationale situatie was veranderd. Bretagne had de zijde gekozen van de Engelse koning, terwijl Vlaanderen aan de zijde van de Franse koning stond. Toen zijn vader Robrecht II sneuvelde in 1111, bestond de kans dat Boudewijn in het kamp van zijn schoonvader zou terechtkomen. Dit zal wel de doorslag gegeven hebben, maar de officiële reden was een te nauwe bloedverwantschap.
Boudewijn overleed kinderloos, zodat het Vlaamse gravenhuis der Boudewijnen in rechtstreekse mannelijke lijn uitstierf. Kort vóór zijn dood wees hij zijn neef prins Karel van Denemarken aan als zijn troonopvolger. Hij deed de edelen van Vlaanderen en zijn moeder Clementia de eed van trouw zweren op zijn troonopvolger. Kort voor zijn dood werd hij nog monnik. Hij overleed op terugreis naar het kasteel van Wijnendale. Hij werd op 19 juni begraven in de Sint-Bertijnsabdij in Sint-Omaars, in het bijzijn van Karel van Denemarken en veel buitenlandse edellieden.
Zijn opvolger zou de legendarische graaf Karel de Goede worden.