De Geschiedenis van Vlaanderen komt weldra in boekvorm uit. Daarom zijn de 36 delen offline gehaald op vraag van de auteur.
Ik zal proberen een alternatief te bieden, weliswaar in een ander kleedje gegoten.
De Geschiedenis van Vlaanderen loopt van de Romeinse tijd tot het eind van de 14de eeuw wanneer Vlaanderen verdwijnt als zelfstandige staat.
Na deze periode is Vlaanderen achtereenvolgens onder Bourgondische, Habsburgse, Spaanse, Oostenrijkse en Franse bewinden gevallen om in 1830 als Belgisch Vlaanderen te eindigen.

Deze verschillende perioden worden hier uitvoerig besproken.

zondag 4 maart 2012

Robrecht I de Fries

Robrecht de Fries.png
 
Robrecht I de Fries (ca. 1029/32Kasteel van Wijnendale, 13 oktober 1093) was graaf van Vlaanderen van 1071 tot aan zijn dood en regent van Holland van 1061 tot 1070 namens de minderjarige Dirk V.

Boudewijn V van Vlaanderen

Robrecht de Fries was de tweede zoon van graaf Boudewijn V van Vlaanderen en van Adela van Frankrijk. Als jonge man trok hij naar Spanje om in de gevechten tegen de Moren een eigen graafschap te verwerven, maar zonder succes. Na zijn huwelijk in 1063 met Geertrui van Holland, weduwe van graaf Floris I van Holland, vestigde hij zich in Holland (vanouds een deel van Frisia, vandaar "de Fries") en deed afstand van zijn aanspraken op Vlaanderen ten gunste van Arnulf III de Ongelukkige, de zoon van zijn oudere broer Boudewijn VI. Wel erfde Robrecht na de dood van zijn vader het Land van Aalst, de Vier Ambachten en het graafschap Zeeland.

Gertrude de Saxe.png

Vlaanderen


Boudewijn VI
 
Na het overlijden van Boudewijn VI kwam Robrecht terug op zijn afstand van Vlaanderen en greep de macht in het graafschap, ten koste van zijn neef Arnulf die de rechtmatige erfgenaam was. Arnulfs moeder, Richilde van Henegouwen, hertrouwde snel met de machtige Normandische edelman Willem van Breteuil, earl van Hereford (Engeland). Hierdoor kreeg zij belangrijke Normandische steun. Ook kreeg ze steun van koning Filips I die de belangen van zijn rechtmatige vazal verdedigde. Richildes machtige leger werd echter verrassend verslagen in de Slag bij Kassel op 22 februari 1071. Arnulf sneuvelde.
Nauwelijks een maand na de nederlaag bij Kassel trok Richilde met een gezamenlijk Henegouws en Frans leger ten strijde tegen Robrecht de Fries. Sint-Omaars werd geplunderd en platgebrand. Robrecht was in het defensief, maar haalde toen een slimme diplomatieke zet uit. Hij had voordien in Kassel Eustachius, graaf van Boulogne, gevangen genomen. Deze was tevens de broer van Godfried, bisschop van Parijs en kanselier van Filips I. Door een goed woord van laatstgenoemde bij de Franse koning en de vrijlating van Eustachius, zag Filips I af van zijn steun aan Richilde. Robrecht de Fries verzoende zich met de Franse koning en gaf hem in 1073 zijn stiefdochter Bertha tot vrouw.
Hij herstelde tevens zijn relatie met de paus door het bouwen (of vernieuwen) van een dertigtal kerken of kapellen, allen toegewijd aan de heilige Petrus, zoals in Oostende en Brugge.
Godfried III met de Bult

Richilde vormde een nieuw bondgenootschap met de bisschop van Luik, Godfried III met de Bult, hertog van Neder-Lotharingen, Willem I, bisschop van Utrecht, en de bisschoppen van Verdun en Cambrai en ook de aartsbisschop van Keulen. Robrecht besloot echter om keizer Hendrik IV te huldigen voor Rijks-Vlaanderen. In ruil daarvoor zorgde Hendrik er voor dat zijn vazallen en bisschoppen Richilde niet meer steunden. Richilde viel met haar Henegouws leger Vlaanderen binnen. Robrecht trok in de tegenaanval en viel plunderend Henegouwen binnen. Tenslotte verpletterde hij het kleine leger van Richilde. Bij de vrede die werd gesloten kwam Dowaai bij het graafschap Vlaanderen.

Geertruida van Saksen

Geertruida van Saksen (1033 - 3 augustus 1113) was de dochter van Bernhard II, hertog van Saksen en Eilika van Schweinfurt.
Ze trouwde rond het jaar 1050 met Floris I van Holland. Kinderen waren:

  • Dirk V van Holland (1052-1091)
  • Floris, jong overleden te Luik, waar hij mogelijk heen was gestuurd voor zijn opvoeding
  • Bertha van Holland (ca. 1058-1094), gehuwd met Filips I van Frankrijk
  • mogelijk Adelheid (1045-1085), gehuwd met Boudewijn I van Guînes
Geertruida werd in 1061 weduwe. Korte tijd na het overlijden van Floris, nam bisschop Willem van Cuijck van Utrecht, het Rijnland en Kennemerland in bezit. Dit werd door de keizerin bevestigd, de minderjarige Dirk had toen alleen nog de monding van de grote rivieren en een paar eilanden in het noorden in bezit. Geertruida besefte dat ze een sterke bondgenoot nodig had en ze trouwde in 1063 met Robrecht I van Vlaanderen, de broer van de graaf Boudewijn V van Vlaanderen. Robrecht gaf zijn aanspraken in Vlaanderen op (ten gunste van zijn neef Arnulf) en wijdde zich aan zijn Friese belangen, daaraan ontleent hij in Vlaanderen zijn bijnaam "de Fries". Dirk ontving Vlaanderen ten oosten van de Schelde en de eilanden ten westen van de Schelde (o.a. Walcheren), als apanage.
Robrecht en Boudewijn wisten het Rijnland en Kennemerland weer terug te veroveren maar keizer Hendrik IV gaf hertog Godfried III van Lotharingen van Neder-Lotharingen opdracht om de bisschop te verdedigen. Godfried werd op 26 februari 1076 vermoord in Delft. Toen bisschop Willem een paar maanden later ook overleed, verzamelde Dirk een Vlaams leger en probeerde opnieuw zijn graafschap te heroveren. De nieuwe bisschop Koenraad verschanste zich in het kasteel van IJsselmonde. Toen Dirk het kasteel wist te veroveren was de strijd beslist: Koenraad sloot vrede en gaf daarbij het Rijnland en Kennemerland terug aan Dirk.
Geertruida trad in 1089 nog op als regentes van Vlaanderen terwijl Robrecht Jeruzalem bezocht. Ze overleed op 3 augustus 1113 te Veurne en is aldaar in de St.-Walburgakerk begraven.
Geertruida en Robrecht kregen de volgende kinderen:
  • Adela van Vlaanderen, gehuwd met Knoet IV van Denemarken, en de ouders van Karel van Vlaanderen de Goede
  • Robrecht II van Vlaanderen
  • Filips, vader van Willem van Ieper
  • mogelijk Ogiva, abdis van Mesen
  • mogelijk Boudewijn
  • Gertrudis, in haar tweede huwelijk getrouwd met Diederik van Opper-Lotharingen, en de ouders van Diederik van de Elzas
Strijd tegen de bisschop van Utrecht

Samen met zijn stiefzoon Dirk V van Holland streed hij met succes tegen het gezag van de bisschop van Utrecht. Volgens onbevestigde bronnen zouden zij beiden zelfs de hand hebben gehad in de moord (1076) op Godfried met de Bult, gespietst op een ijzeren staaf. Uiteindelijk slaagden zij erin de vroeger verloren gebieden van het graafschap Holland te heroveren.
 

Thierry V de Hollande.png
Dirk V van Holland
 
Floris sneuvelde in 1061 oorlog met de bisschop van Utrecht. Dirk was toen minderjarig en zijn moeder trad op als regentes. Bisschop Willem I van Utrecht maakte van deze situatie gebruik om het Rijnland en het Kennemerland te annexeren. Deze annexatie werd formeel bevestigd door keizerin Agnes van Poitou (1024-1077), de regentes van Duitsland. Van Dirks graafschap bleven alleen de meest noordelijke en zuidelijke gebieden over. Zijn moeder besefte dat Dirk een sterke bondgenoot nodig had en ze trouwde in 1063 met Robrecht I van Vlaanderen, de broer van de graaf Boudewijn VI van Vlaanderen. Die gaf zijn aanspraken in Vlaanderen op (ten gunste van zijn neef Arnulf III van Vlaanderen) en wijdde zich aan zijn Friese belangen. Daaraan ontleent hij in Vlaanderen zijn bijnaam "de Fries". Dirk ontving Vlaanderen ten oosten van de Schelde en de eilanden ten westen van de Schelde (o.a. Walcheren), als apanage.
Robrecht en Boudewijn wisten het Rijnland en Kennemerland weer terug te veroveren maar de keizer gaf hertog Godfried III van Lotharingen van Neder-Lotharingen opdracht om de bisschop te verdedigen. Godfried werd op 26 februari 1076 vermoord in Delft of Vlaardingen, volgens de overlevering werd hij toen hij zijn behoefte deed, van onderen dodelijk verwond. Toen bisschop Willem een paar maanden later ook overleed, verzamelde Dirk een Vlaams leger en probeerde opnieuw zijn graafschap te heroveren. De nieuwe bisschop Koenraad verschanste zich in het kasteel van IJsselmonde. De gevechten werden beslist doordat Dirk het kasteel kon veroveren: Koenraad sloot vrede en gaf daarbij het Rijnland en Kennemerland terug aan Dirk.
Dirk koos in de investituurstrijd de kant van de paus en hij werd begraven in de abdij van Egmond.
Dirk is vermoedelijk getrouwd met Othelhildis van Saksen (ca. 1065 - 18 november 1120) maar hier kan ook sprake zijn van een verwarring met zijn grootvader. Dirk kreeg twee kinderen:
  • Floris II
  • Mathilde

Betrokkenheid bij de Engelse troon
 
Willem de Veroveraar
 
De betrekkingen met de Engelse koning Willem de Veroveraar waren verre van vriendschappelijk. Deze had indertijd zelfs een contingent Normandiërs gestuurd om Richilde te steunen in haar strijd tegen Robrecht. Robrecht steunde de aanspraken van zijn schoonzoon Knoet IV van Denemarken op de (verloren) Engelse troon. Samen zouden ze een vloot van 1600 boten naar Engeland sturen. Het kwam echter nooit zover, door een broedertwist tussen de twee Deense prinsen Knoet IV en Olaf. Olaf werd gevangengenomen en naar Robrecht gestuurd. Maar kort daarop, op 10 juli 1086, werd Knoet IV vermoord. Olaf werd teruggestuurd naar Denemarken, na betaling van een aanzienlijke som losgeld.


Pelgrimstocht naar Jeruzalem

Robrecht II

Robrecht de Fries had het plan opgevat om op pelgrimstocht naar Palestina (het "Heilige Land") te trekken (1086–1091) (dus voor de eerste Kruistocht). Hij liet het bestuur van het graafschap in handen van zijn zoon , de latere Robrecht II. Robrecht de Fries verbleef twee jaar in Jeruzalem. Bij zijn terugkeer knoopte Robrecht betrekkingen aan met de Byzantijnse keizer Alexius Comnenus, aan wie hij militaire hulp verleende in diens strijd tegen de Seltsjoeken.

Zie ook: de eerste kruistocht (extra pagina)


Hervormingen

Robrecht de Fries staat bekend om zijn binnenlandse hervormingen die hem in staat stelden met de steun van de steden het grafelijk gezag te verstevigen, ten nadele van de voorrechten van de adel en de geestelijkheid. Dit ging niet vanzelf. Arnoldus, bisschop van Soissons en latere stichter van de abdij in Oudenburg, ging in 1083 op reis door het graafschap om de vrede te herstellen tussen de graaf en de adel. Arnoldus zou sterven op 15 augustus 1087 te Oudenburg gedurende een tweede vredestocht. Robrecht de Fries voerde het ambt in van grafelijke kanselier en bevorderde de ontluikende handel.
Hij maakte van Brugge een Europees handelscentrum. Door de begrippen godsvrede en -bestand na te leven, bevorderde hij ook de vrede met naburige graafschappen. Brugge werd ook een politiek centrum en hierdoor verplaatste zich het overwicht van het meer Gallicaanse Zuiden naar het meer Dietse Noorden. Hij verbleef vaak in Brugge en bouwde ook een kasteel in Wijnendale waar hij vaak verbleef. Daarnaast verbleef hij ook soms in het kasteel van Veurne.


Robrecht kreeg mogelijk zes kinderen:
  • Adela van Vlaanderen, gehuwd met Knoet IV van Denemarken, en de ouders van Karel van Vlaanderen de Goede
  • Robrecht II van Vlaanderen
  • Filips, vader van Willem van Ieper
  • mogelijk Otgiva, abdis van Mesen
  • mogelijk Boudewijn
  • Gertrudis, in haar tweede huwelijk getrouwd met Diederik van Opper-Lotharingen, en de ouders van Diederik van de Elzas
Robrecht liet in Kassel in 1072 de Sint-Pieterskerk bouwen op de Terrasse du Château (het platform boven op de Kasselberg) om zijn overwinning op de Franse koning te vieren die hij het jaar voordien op de naamdag van Sint-Pieter had behaald. Robrecht werd in 1093 in een crypte onder de kerk begraven. In 1787 begon men met de afbraak van de kerk. Tijdens de Franse Revolutie werden zijn asresten opgegraven en in een goot gegooid.
Robrecht werd opgevolgd door zijn zoon, Robrecht II van Jeruzalem, aan wie hij reeds vóór zijn vertrek op pelgrimstocht gedeeltelijk het bestuur van zijn graafschap overdroeg (sinds 1080).

vrijdag 2 maart 2012

Het Graafschap Vlaanderen (9e - 11e eeuw)

Boudewijn I (864-879)

Boudewijn I wordt als de eerste graaf van Vlaanderen beschouwd. Hij stamde vermoedelijk uit de streek van Laon en was de zoon van een zekere Audacer. Boudewijn heeft niets te maken met de fabuleuze “forestiers van Vlaanderen”, ontsproten aan de fantasie van overijverige middeleeuwse schrijvers.
Boudewijn kreeg de bijnaam “met de IJzeren Arm” door de schaking van Judith, de dochter van koning Karel de Kale van West-Francië. Judith was door haar vader opgesloten in een toren te Soissons, in afwachting van een gouden kans op de huwelijksmarkt. Met de hulp van kroonprins Lodewijk kon ze ontsnappen in de armen van Boudewijn. Dat Karel de Kale helemaal niet van zinnens was om zijn dochter uit te huwelijken aan de eerste de beste avonturier, nadat ze al tweemaal een Engelse koning tot echtgenoot had gehad, blijkt uit zijn reactie. Hij kreeg zijn bisschoppen zover dat ze de ban uitspraken over het koppel. Het werd zelfs zo erg dat Boudewijn en Judith moesten vluchten over de Alpen en hun toevlucht zochten bij paus Nicolaas I. Ondanks de woede en weigering van haar vader bleef Judith bij Boudewijn. Paus Nicolaas koos dan ook de zijde van de geliefden en trachtte de koning te overhalen tot een huwelijk. Boudewijn dreigde er zelfs mee zich met de Noormannen te verbinden. Uiteindelijk ging Karel de Kale overstag. Eind 863 werd het huwelijk tussen Boudewijn en Judith gesloten.
Als gevolg van zijn huwelijk met een Karolingische prinses, werd Boudewijn beleend met enkele publieke functies. Hij kreeg in 864 de gouwen Flandrensis, Waas, Kortrijk en bezat wellicht ook de gouw Gent, zodat dit een aangesloten geheel vormde. Na 866 verkreeg hij ook de gouw van Terwaan. Hij werd in 879 begraven in de Sint-Bertijnsabdij te Sint-Omaars, die in deze gouw lag. Deze abdij zou later voor nog een aantal graven van Vlaanderen de laatste rustplaats worden. Tijdens de Franse Revolutie werden die graftomben vernield.
Men beschouwt Boudewijn I als de laatste koninklijke ambtenaar binnen zijn familie. Zijn erfgenamen zouden een veel zelfstandiger koers kunnen varen, omdat het centrale koninklijke gezag danig verzwakte, onder meer door de invallen van de Noormannen.
De dood van Boudewijn I in 879 viel wellicht niet toevallig samen met een nieuwe start van de invallen van de Noormannen in deze streek. Ze bleven hier tot 883 en richtten grote vernielingen aan. Pas in de zomer van 883 vielen ze de pagus Flandrensis binnen om dan voor de winter het land te verlaten.

Boudewijn II (879-918)


Boudewijn II, zoon van Boudewijn I, is blijkbaar als gevolg van de Noormanneninval naar de noordelijker gelegen pagus Flandrensis gevlucht, dit werd zijn nieuwe machtsbasis. Wellicht hield Boudewijn II zich met zijn familie schuil in de vesting van Brugge. Deze graaf zou de echte stichter van het graafschap Vlaanderen worden. Het hele gebied was een verlaten streek geworden, waaruit de ambtenaren en soldaten van de koning waren vertrokken. Koning Karloman besefte dat het onmogelijk was om het vlakke en door vele rivieren doorkruiste Vlaanderen te verdedigen tegen de Noormannen. Hij schoof de grens van zijn rijk achteruit tot aan de Artesische heuvels, richtte er een mark op en gaf die in leen aan zijn verwant, abt Rudolf, die zo de gouw Ternois en de abdijen Sint-Bertijns en Sint-Vaast in zijn bezit kreeg.
Na het vertrek van de Noormannen kon Boudewijn II het gebied ten noorden hiervan zonder slag of stoot tot het zijne verklaren en zo werd hij heerser van een vorstendom dat van de Noordzee tot aan de heuvels van Artesië reikte. Zo ontstond, in 883 of kort daarop, het zelfstandige graafschap Vlaanderen. Boudewijns optreden werd niet alleen vergemakkelijkt door het machtsvacuüm in het gebied als gevolg van de Noormanneninvallen, maar ook door de ineenstorting van de macht van de Franse koning. Boudewijn maakte zich niet alleen meester van enkele gouwen die eertijds aan zijn vader toebehoorden, namelijk Waas, Gent en Kortrijk, hij breidde dit ook uit met de noordelijker gelegen gouwen Vlaanderen, Rodenburg en Mempiscus en de vijf pagi tussen Leie en Schelde.
In 892 stierf abt-graaf Rudolf. Hierdoor kon Boudewijn II de hand leggen op de gouw van Ternois met de abdij van Sint-Bertijns en op de stad Atrecht met de abdij van Sint-Vaast. Nog in hetzelfde jaar maakte hij zich ook meester van de gouwen Vermandois, Bonen en Artesië. De koning kon dit niet laten gebeuren en er kwam oorlog van. In 879 kwamen de beide mannen tot een akkoord. Boudewijn II deed afstand van Vermandois, maar behield Bonen (Boulogne) en Artesië. Boudewijn II deed in 899 echter opnieuw een poging om Sint-Kwintens, de hoofdstad van Vermandois, te veroveren. Maar de koning rukte met zijn leger binnen en sloeg het beleg voor Atrecht, dat spoedig in zijn handen viel. Hierdoor verloor Boudewijn II de hele gouw Artesië met de rijke Sint-Vaastabdij.
Boudewijn zag na deze rampzalige oorlog tegen koning Karel III in dat verder strijden niet veel zin meer had en hij is zich meer gaan toeleggen op de interne bevestiging van zijn macht in zijn graafschap. Hij beschikte bovendien over een reusachtig domein dat hij verworven had door zich na de aftocht van de Noormannen de grondeigendommen van de Kerk, de koning en misschien ook van grootgrondbezitters toe te eigenen. Bovendien had hij als vorst het recht op de woeste en braakliggende gronden. Om zijn land beter te kunnen verdedigen tegen volgende invallen van Noormannen, heeft hij reeds vanaf 884 een aantal vestingen laten optrekken langs de kustlijn, namelijk te Oostburg, Aardenburg, Brugge, Oudenburg, Gistel, Veurne, Broekburg en Sint-Winoksbergen, maar ook binnenlands, onder andere in Gent en Kortrijk. Boudewijn II stierf in 918.

Arnulf I (918-965)

Na het overlijden van Boudewijn II werd zijn vorstendom verdeeld onder zijn twee zonen. Arnulf kreeg de gebieden waarover zijn vader vrijwel onmiddellijk regeerde, namelijk de streek tussen de Noordzee, de Schelde en de Artesische heuvels. Vanaf dan werd de naam Vlaanderen voor dit hele gebied gebruikt. Tot het erfdeel van de jongere zoon Adalolf behoorden de later veroverde gebieden, dit zijn de gouwen Bonen en Ternois. Wellicht behield Arnulf als oudste zoon een soort soevereiniteit over de gebieden van zijn broer. Ondanks al zijn inspanningen heeft Boudewijn II geen gaaf vorstendom kunnen nalaten. Vlaanderen zou pas zijn natuurlijke grenzen bereiken met het bezit van de gouwen Artesië, Ponthieu en Oosterbant. Artesië zou dan een sterke bareel zijn tegen de invallen uit het zuiden, terwijl de hoofdplaats van Ponthieu, Montreuil, de enige oversteekplaats was over de rivier de Kwinte (Canche), de zuidgrens van Vlaanderen. Tenslotte zou met het bezit van Oosterbant de Schelde overal bereikt worden.
In de verwarring ontstaan door de strijd om de oppermacht in Frankrijk, kon Arnulf I in 931 de hand leggen op Mortagne, de tweede vesting van Oosterbant. Het jaar daarop, in 932, stierf de gouwgraaf van Artesië en daarvan maakte Arnulf gebruik om diens hele gouw met de abdij van Sint-Vaastabdij in te palmen. Iets later viel ook de hoofdstad van Oosterbant, Dowaai, samen met de rest van de gouw in handen van Arnulf. In 933 overleed zijn broer Adalolf en daarop maakte Arnulf zich meester van diens bezit, namelijk Bonen en Ternois. Hierdoor ontzegde hij wel de zonen van Adalolf hun erfdeel.
In 936 kon de Karolinger, Lodewijk IV van Overzee, bezit nemen van de troon in Frankrijk. Hij moest hiervoor vanuit Engeland via Bonen naar zijn nieuw koninkrijk reizen. Deze eerste ontmoeting schijnt de aanzet te zijn geweest voor een lange vriendschap tussen graaf Arnulf en Lodewijk. Het is in die tijd dat Arnulf de titel van markgraaf aanneemt; waarschijnlijk werd hij door de koning met deze waardigheid vereerd. Enige tijd later braken er conflicten uit met Normandië. De stad Montreuil werd heen en weer veroverd, maar zonder definitief resultaat voor de Vlamingen. De stad was zo belangrijk omdat het de enige oversteekplaats was voor een leger over de Kwinte; uitgestrekte moerassen maakten dit verderop onmogelijk. Montreuil was dus de sleutel van de zuidgrens van Vlaanderen en van de noordgrens van Normandië. Pas in 947 verkreeg Arnulf deze stad door een schenking van hertog Hugo die hoopte hiermee de steun van de graaf voor zich te winnen. Dit lukte evenwel niet, integendeel toen er een opstand losbrak tegen Hugo, kon Arnulf Amiens op hem veroveren.
In de jaren 954-961 stond Arnulf I op het hoogtepunt van zijn regering. Hij had Vlaanderen tot aan de Somme uitgebreid en er heerste rust in het land. De enkele moeilijkheden die zich voordeden, liet hij aan zijn zoon Boudewijn over, die hij graaf schijnt gemaakt te hebben van de zuidelijke gouwen van Vlaanderen. Deze laatste wordt meestal aangeduid onder de benaming Boudewijn III, maar hij is echter nooit graaf van Vlaanderen geweest, hoogstens medegraaf onder Arnulf I. Boudewijn III sterft namelijk in 962 en laat enkel een minderjarige zoon, Arnulf, achter. De zonen van Adalolf, de overleden broer van Arnulf I, grepen hun kans om het erfdeel van hun vader op te eisen en kwamen in opstand. Graaf Arnulf I begreep dadelijk dat zijn verwanten zijn kleinzoon zouden behandelen zoals hij met zijn neven had gedaan. Hij zag zijn levenswerk verloren gaan, wanhopig liet hij één van hen om het leven brengen in de hoop de ander schrik aan te jagen. Maar integendeel, deze ging nu nog feller te keer. Daarom zocht hij zijn toevlucht tot een laatste redmiddel om althans een deel van zijn vorstendom voor zijn kleinzoon te bewaren.
Hij ging naar zijn opperleenheer, de Franse koning Lotharius II en ze kwamen tot een akkoord. Wanneer Arnulf stierf, zou Lotharius al diens veroverde gebieden krijgen, namelijk Amiens, Ponthieu, Artesië en Oosterbant. In ruil daarvoor zou Lotharius voogd worden van de jonge Arnulf tijdens diens minderjarigheid en ervoor zorgen dat Arnulf erkend zou worden als graaf in de rest van Vlaanderen. Tevens moest ook Boudewijn Baldzo, wellicht een zoon van Arnulf I’s oom Rudolf, waken over de kleine Arnulf. De overgebleven zoon van Adalolf, ook een Arnulf, zou het erfdeel krijgen van zijn vader, namelijk Bonen en Ternois. De oude graaf Arnulf I overleed in 965.

Arnulf II (965-988)

Zoals Arnulf I voorzien had, volgde na zijn dood een totale ineenstorting van het grafelijk gezag. Lotharius hield zich nog aan het akkoord, deed Arnulf II als graaf erkennen en eigende zich de zuidelijke gebieden van Vlaanderen toe. Edellieden beschouwden echter hun lenen als hun eigendom en usurpeerden de grafelijke rechten. Arnulf II’s zogezegde beschermer, Boudewijn Baldzo, maakte zich meester van een eigen graafschap, Kortrijk. Dirk II, graaf van West-Friesland en oom van Arnulf II, werd graaf van Gent en Waas. Arnulf, de zoon van Adalolf, nam wat hem van rechtswege toekwam en werd graaf van Bonen-Ternois.
Arnulf II stelde zich tevreden met wat er van zijn graafschap overbleef, de streek tussen de Leie en de zee, en met zijn theoretisch leenheerlijk gezag over de graafschappen die Dirk van West-Friesland en Arnulf van Bonen hadden verkregen. Vroeger al had een groep Vikingen zich onder leiding van Siegfried van Denemarken, hoewel deze figuur ook legendarisch kan zijn, gevestigd in het Boonse aan de Noordzeekust. Wellicht trouwde hij met een dochter van Arnulf I en hun zoon Adolf verkreeg van Arnulf II de titel van graaf van Gizene (Guînes). Na de dood van Arnulf van Bonen werd diens graafschap verdeeld onder zijn twee zonen, de ene kreeg Bonen, de andere Ternois. Verderop in Vlaanderen werd Boudewijn Baldzo in het grootste gedeelte van het graafschap Kortrijk opgevolgd door Eilbodo, terwijl het noordelijke gebied wellicht gevoegd werd bij het vorstendom van de graaf van West-Friesland.
Arnulf II was een zwak vorst en toen hij stierf in 988, zag de toekomst er niet rooskleurig uit voor zijn geslacht. Niet alleen was Vlaanderen sterk ineengekrompen, bovendien kwam opnieuw een minderjarige graaf op de troon, ditmaal Boudewijn IV.

Boudewijn IV (988-1035)

Het geslacht der Baldwinen zou zich echter herpakken. Ze kregen hierbij zelfs een steuntje in de rug van de overmoedige Capetingers. Koning Hugo Capet had zich wel meester kunnen maken van de Franse kroon, rijk was hij echter niet. Wat hij nodig had, was een groot vorstendom dat de luister van zijn dynastie zou verhogen. Hij liet zijn oog vallen op Vlaanderen en regelde een huwelijk tussen zijn jonge zoon Robrecht met Suzanna, de weduwe van Arnulf II. Zolang Boudewijn IV minderjarig bleef, zou Robrecht er het grafelijk gezag uitoefenen en het graafschap misschien wel kunnen behouden. Hugo was tot zware offers bereid en liet Artesië, Oosterbant en Ponthieu voor Suzanna vastleggen. Maar het draaide anders uit. Reeds na enkele jaren werd de rijpe, bijna oude Suzanna verstoten door de jonge en lichtzinnige Robrecht. De Franse koning weigerde echter de beloofde gebieden aan Suzanna te geven. De Vlamingen lieten het hier echter niet bij en er kwam oorlog van. Uiteindelijk werd deze beslecht met een akkoord waarbij Artesië en Oosterbant definitief aan Vlaanderen werden gegeven, terwijl Ponthieu met Montreuil aan de kroon bleef.
Boudewijn IV was inmiddels tot volwassenheid gekomen en vastbesloten het weggekwijnde grafelijk gezag in Vlaanderen te herstellen. Hij beroofde Eilbodo van Kortrijk van diens onwettige gezag en toen Arnulf, graaf van West-Friesland, in 993 sneuvelde en slechts een jonge zoon naliet, kon Boudewijn de graafschappen Gent en Waas terug onder zijn rechtstreeks gezag plaatsen. Dat gebeurde niet met de zuidelijke graafschappen, waarvoor hij zich tevredenstelde met de erkenning van zijn leenheerschappij. Het graafschap Ternois was verder uiteengevallen, het noordelijke deel met de steden Ariën en Sint-Omaars keerde terug naar het graafschap Vlaanderen, het zuidelijke deel bleef zelfstandig onder de naam Sint-Pols, maar verloor later nog het zuiden van zijn grondgebied, dat het graafschap Hesdin werd. De Vlaamse graaf was dus leenman van de Franse koning voor het markgraafschap Vlaanderen en op zijn beurt leenheer van de graven van Bonen, Gizene, Sint-Pols en later nog Hesdin.


Ook intern wilde Boudewijn IV zijn gezag versterken. Om een steviger greep krijgen op zijn eigen binnenland begon hij in 993 met de reorganisatie van de Vlaamse gewesten. Het graafschap Vlaanderen werd namelijk ingedeeld in vrij grote gewestelijke eenheden, kasselrijen of burggraafschappen genaamd. Elk burggraafschap was als het ware gericht op een centrale grafelijke burcht. De oudste waren Brugge, Gent, Doornik en Sint-Omaars. De onderliggende gouwen bleven zichtbaar, sommigen werden echter afgeschaft, zoals de Mepsegouw, terwijl andere hun eigenheid hebben weten te bewaren, zoals het Land van Waas en le Pays de Pévèle. Grootste vernieuwing was dat de bruggraaf wel zijn ambt in leen hield, maar niet meer de grafelijke burcht en het territorium. De edelen die hij opriep en leidde, bleven krijgers van de graaf. Hij was echter geen beroepsambtenaar die zoals de baljuw later zomaar door de graaf verplaatst of afgezet kon worden. Met de instelling van burggraafschappen legde Boudewijn IV een steviger fundering onder het grafelijk gezag. Toen dit gerealiseerd was, kon hij zich gaan concentreren op territoriale expansie.
In het zuiden had het Normandische blok zich nog uitgebreid en werd het slecht door Ponthieu van Vlaanderen gescheiden. Verdere expansie van Vlaanderen naar het zuiden was dus niet meer mogelijk. Boudewijn IV richtte zijn blik naar het oosten, naar het hertogdom Neder-Lotharingen, waar de keizerlijke macht aan het verzwakken was. Daar probeerden de voornaamste graven hun gebied uit te breiden ten koste van de bisschoppen en de keizer. Er was echter één hinderpaal voor Vlaanderen. Om een inval vanuit het westen te verhinderen, hadden de keizers een aantal marken opgericht op de rechteroever van de Schelde. Dit waren van zuid naar noord, Valencijn, Ename en Antwerpen. Indien Boudewijn IV wilde slagen in zijn uitbreidingspolitiek, zou hij eerst deze keizerlijke burchtenlinie moeten breken. Om echter een inval vanuit Lotharingen in Vlaanderen te verhinderen organiseerde of voltooide hij ook een gordel van burchten langs de Schelde, namelijk in Gent, Oudenaarde en Doornik.
Boudewijn IV begon met de meest zuidelijke vesting Valencijn. Rond 1002 was hij al in een oorlog verwikkeld met Arnulf, de keizerlijke markgraaf in de streek van Valencijn. In 1006 kon Boudewijn zich meester maken van Valencijn. Een belegering door een brede coalitie tussen de Duitse keizer, de koning van Frankrijk en de hertog van Normandië kon hem niet op de knieën krijgen, maar een verwoestende inval in Vlaanderen door Duitste troepen, kon dat wel. Boudewijn moest Valencijn terug afstaan. In 1012 maakte hij echter gebruik van de dood van graaf Arnulf van Valencijn om de stad opnieuw te bezetten. De Duitse keizer Hendrik II kon de steun van de Vlaamse graaf wel gebruiken tegen een opstand van Lotharingse edelen tegen zijn gezag en hoopte deze dan ook te verkrijgen door Boudewijn niet alleen te erkennen als graaf van Valencijn, maar hem ook nog Walcheren met de bijbehorende Zeeuwse eilanden en de latere Vier Ambachten te schenken. Boudewijn IV had vaste voet gekregen aan de rechteroever van de Schelde en bovendien was hij nu zowel vazal van de Franse koning (voor Kroon-Vlaanderen) als van de Duitse keizer (voor Rijks-Vlaanderen).


Kroon-Vlaanderen was het deel van het Graafschap Vlaanderen dat ten westen van de Schelde lag en in leen werd gehouden van de Franse koningen. Het behoorde sinds het Verdrag van Verdun (843) tot het grondgebied van West-Frankenrijk, een grondgebied dat grotendeels overeenkomt met het huidige Frankrijk.
Bij de opdeling van de historische Brabantgouw hield de graaf van Vlaanderen vanaf de 11e eeuw ook ten oosten van de Schelde lenen. Dat waren rijkslenen, waarvoor hij leenhulde verschuldigd was aan de Duitse keizer. Dit gebied noemt men Rijks-Vlaanderen.


Topografische kaart van het Graafschap Vlaanderen met de grens van het Heilige Roomse Rijk in het rood. Kroon-Vlaanderen lag ten westen van deze grens.
 
In 1529 zorgde de Damesvrede van Kamerijk ervoor dat de Franse Koning, Frans I, zijn aanspraken op Kroon-Vlaanderen opgaf.
Rond 1019 is hij echter weer in oorlog met de Franse koning. Om zijn Lotharingse politiek ongestoord te kunnen verder zetten, besefte Boudewijn dat hij vrede moest zien te sluiten met de koning van Frankrijk. Ze kwamen tot het akkoord dat Boudewijns zoon, de latere Boudewijn V, zou huwen met Adela, de jongste dochter van de koning. Zij werd voortaan aan het Vlaamse hof opgevoed. Deze verbintenis tussen het koninklijk huis en de grafelijke dynastie van Vlaanderen zou honderd jaar bijna ononderbroken vrede tussen Vlaanderen en Frankrijk tot gevolg hebben. Maar de latere Boudewijn V voelde zich nu zo verheven dat hij niet langer wilde wachten op zijn vaders dood om hem te kunnen opvolgen. Met een deel van de adel achter zich, kwam hij in opstand. Boudewijn IV moest zelfs zijn toevlucht zoeken bij de hertog van Normandië. Hij wist met de hulp van de Normandiër zijn zoon op de knieën te krijgen en uiteindelijk verzoenden vader en zoon zich terug met elkaar. Boudewijn IV kon zich nu richten op Ename. In 1033 namen de Vlamingen de burcht van Ename in en staken die in brand.
De graaf, die in 1035 stierf, haalde dus niet alleen het grafelijk gezag uit de crisis, maar slaagde er ook nog in het graafschap Vlaanderen uit te breiden. Hij putte zich niet uit in wanhopige pogingen om Ponthieu te herwinnen, maar stelde zich tevreden met Artesië, waarmee Vlaanderen zijn historische en aardrijkskundige grenzen bereikte. Uitbreiding zag Boudewijn wel mogelijk in oostelijke richting en met Walcheren, Zeeland bewesten Schelde, de Vier Ambachten, Ename en Valencijn had hij de ijzeren ring, die Vlaanderens expansie moest beletten, doen springen.

Boudewijn V (1035-1067)

Boudewijn V maakte het werk van zijn vader in het land tussen Schelde en Dender af. De Vlamingen konden zich in 1040 vanuit Ename ook meester maken van de hele mark Ename. Bovendien verkreeg Boudewijn van de Duitse keizer voor zijn zoon ook nog het markgraafschap Antwerpen. Hiermee leek Vlaanderen wel volledig uit zijn voegen te zijn gebarsten, maar het was een vergiftigd geschenk. De keizer hoopte met zijn daad Boudewijns steun te verwerven in zijn oorlog tegen zijn opstandige vazal Godfried, hertog van Opper-Lotharingen en diens bondgenoot de Franse koning. Toch schaarde Boudewijn zich uit louter politiek belang bij de vijanden van de keizer. Maar de Franse koning en de Duitse keizer verzoenden zich met elkaar. De Engelse en Deense koningen organiseerden een blokkade van de Vlaamse kust en een keizerlijke militaire overmacht dwong Boudewijn tot onderwerping (1049-1050). Boudewijn verloor het markgraafschap Antwerpen en bovendien behield hij alleen het noordelijke deel van de mark Ename, terwijl Valencijn en het zuiden van de mark Ename onder Henegouws bewind kwamen.
Maar Boudewijn V gaf niet op. In mei 1050 overleed graaf Herman van Henegouwen en diens weduwe Richilde nam het beheer over. Boudewijn kon een huwelijk forceren tussen haar en zijn zoon, de latere Boudewijn VI, zonder dat de vereiste keizerlijke instemming was gevraagd. Een strafexpeditie tegen Vlaanderen haalde niets uit en uiteindelijk kregen Richilde en de jonge Boudewijn, Boudewijn I voor de Henegouwers, in 1056 de keizerlijke investituur van Henegouwen. De rechten van de kinderen van Herman van Henegouwen werden hiermee aan de kant geschoven.
Boudewijn V kon bovendien ook voor zijn andere kinderen succesvolle huwelijken sluiten. Robrecht huwde in 1063 met Geertrui, weduwe van de graaf van Holland, waardoor hij in dat graafschap het bewind kon voeren in naam van zijn nog onmondige stiefkinderen. Mathilde trouwde, waarschijnlijk in 1053, met Willem I, hertog van Normandië, die in 1066 bezit kon nemen van Engeland. Mathilde werd in mei 1068 te Westminster gekroond en gezalfd tot koningin van Engeland.
De Vlaamse graaf zette ook de gewestelijke reorganisatiepolitiek van zijn vader verder ten gunste van de interne consolidering van de grafelijke macht. Het aantal burggraafschappen werd nog uitgebreid door een aantal ondergeschikte ressorten of ambachten los te maken uit een ouder burggraafschap. Boudewijn V kondigde in 1042-1043 samen met de bisschop van Terwaan een godsbestand af in zijn land, dit betekende dat op er niet mocht gevochten worden op bepaalde dagen. Zo zorgde de graaf voor de pacificatie van zijn land en verwierf hij zo bovendien het alleenrecht op oorlogvoering.

Boudewijn VI (1067-1070)

Boudewijn V stierf in 1067 en werd opgevolgd door zijn oudste zoon Boudewijn VI. Om de vrede te bewaren na zijn overlijden, had Boudewijn V voor zijn jongere zoon Robrecht de Fries, een zeer ambitieus figuur, een vorstendom buiten Vlaanderen gezocht. Hij werd, zoals reeds vermeld, uitgehuwd aan de weduwe van de graafschap Holland. Bovendien moest Robrecht dadelijk na zijn huwelijk afstand doen van al zijn rechten op de opvolging in Vlaanderen.
Met Boudewijn VI kwam een personele unie tot stand tussen het graafschap Vlaanderen en het graafschap Henegouwen, wellicht hoopte hij op termijn ook een structurele eenheid te kunnen verwezenlijken zodat hij over een nog machtiger bolwerk zou regeren tussen Frankrijk en het Duitse rijk. Maar die plannen werden echter doorkruist door zijn vroegtijdig overlijden in 1070. Hij had slechts drie jaar geregeerd over Vlaanderen; zijn nog heel jonge zoon Arnulf III zou het er nog slechter vanaf brengen.

Arnulf III (1070-1071)

Nu rook Robrecht de Fries zijn kans. Hij had een aanzienlijke machtspositie opgebouwd in het noorden en wilde maar al te graag het belangrijke graafschap Vlaanderen verwerven. Hij moedigde een opstand aan tegen Arnulf III en diens moeder Richilde. Robrecht slaagde erin een aantal steden en een belangrijk deel van de Vlaamse ridderschap, vooral uit het noordelijk, Dietstalig gebied van het graafschap, voor zich te winnen en hij viel Vlaanderen binnen. Vlaanderen kende zijn eerste grote burgeroorlog. Arnulf III kreeg de steun van een grote coalitie tegen Robrecht, bestaande uit zijn leenheer de Franse koning, zijn oom Willem de Veroveraar, de graaf van Leuven en de overwegend Romaanstalige Vlamingen uit het zuiden. Arnulf werd echter verslagen in de slag bij Kassel op 22 februari 1071 en verloor er het leven. Robrecht werd in Vlaanderen als graaf erkend, terwijl Richilde en haar tweede zoon Boudewijn genoegen moesten nemen met het graafschap Henegouwen.

donderdag 1 maart 2012

Onstaan van het Graafschap Vlaanderen met Boudewijn I

 
Boudewijn I (Laon?, ca. 840 - Abdij van Sint-Bertinus, Sint-Omaars, 2 januari 879), ook wel Boudewijn I met de IJzeren Arm genoemd, staat bekend als de eerste graaf van Vlaanderen.
Zijn bijnaam heeft hij waarschijnlijk te danken aan zijn ijzeren wil en doorzettingsvermogen.
Zie ook "de legende van de Brugse beer" (extra pagina)


Boudewijn is bekend als grondlegger van het graafschap Vlaanderen en doordat hij met kerstmis 861 de koningsdochter Judith van West-Francië van het hof van haar vader Karel de Kale schaakte. De 17-jarige Judith was al twee keer weduwe en was teruggekeerd naar het hof van haar vader. Die wilde haar natuurlijk een derde keer gunstig uithuwelijken, maar ze vluchtte met Boudewijn – toen al een bekende vechtjas – van het hof dat voor de viering van kerst naar Senlis was getrokken. Het stel werd daarbij geholpen door Judiths broer Lodewijk de Stamelaar, die steeds in conflict was met zijn vader.

Lodewijk de Stamelaar
 
Het stel vluchtte naar het noorden maar Karel stuurde brieven aan Rorik van Dorestad en bisschop Hunger van Utrecht dat zij de vluchtelingen geen onderdak mochten geven. Karel liet het paar door bisschoppen excommuniceren maar ze trokken naar Rome en bepleitten hun zaak bij de paus. Die maakte de excommunicatie ongedaan en verzoende Judith en Boudewijn met Karel. Op 13 december 863 volgde het officiële huwelijk te Auxerre. Karel was niet aanwezig bij het huwelijk.
Als onderdeel van de verzoening kreeg Boudewijn het bestuur over de pagus Flandrensis het gebied rond Torhout, Gistel, Oudenburg en Brugge. Dit was in de ogen van Karel waarschijnlijk een onbetekenende functie: Vlaanderen lag in een uithoek van zijn koninkrijk en werd geteisterd door de Vikingen. Boudewijn bleek echter een succesvol bestuurder. Hij wist de invallen van de Vikingen te stoppen en bouwde daarvoor versterkingen in Arras, Gent en Brugge. In Brugge bouwde hij een kerk die was gewijd aan Donatianus van Reims en gaf relieken van de heilige aan de kerk. In Veurne stichtte hij een Benedictijner klooster en schonk het relieken van heilige Walburgis. In 870 werd zijn bezit uitgebreid en was hij heer van geheel Vlaanderen en Ternois, hetzelfde jaar werd hij lekenabt van Sint Pieter in Gent. In 877 steunde hij Lodewijk de Stamelaar bij de opvolging van Karel de Kale. Kort daarna trok hij zich terug en werd monnik in de abdij van Sint-Bertinus, waar hij ook is begraven.


De Vlaanderengouw of Pagus Flandrensis was - na de overname uit handen van de Romeinen - sinds de vierde eeuw een Frankische gouw rond de stad Brugge tussen de IJzer en het Zwin met de stadjes Torhout, Gistel en Oudenburg. Meerdere Romeinse pogingen om zich van de (Salische) Franken te ontdoen, hadden gefaald, en in 358 deed Julianus, de latere keizer Julianus Apostata, aan de Franken afstand van het gebied dat tegenwoordig Vlaanderen en Zuid-Nederland vormt (Toxandrië) als foederati (aan de Romeinen verbondenen). De laatste drie heersers van de Vlaanderengouw waren achtereenvolgens de forestiers (woudgraven of woudmeesters) Liederik, Ingelram en tot slot Odoaker. Uit de Vlaanderengouw groeide nadien het graafschap Vlaanderen, waarvan Boudewijn I (bijgenaamd Boudewijn met de ijzeren arm) in 862 de eerste gouwgraaf werd.
De benaming is afgeleid van flâm, een Ingveoonse vorm van het Oergermaanse *flauma (‘vloed, stroom, stroming en modder’) en betekent dus overstroming, overstroomd land, slijkland.

Traditioneel wordt de forestier Odoaker als zijn vader gezien maar Odoaker (als vader van Boudewijn) en zijn voorouders worden tegenwoordig als speculatief beschouwd omdat dit alleen is gebaseerd op teksten uit de twaalfde eeuw. Een andere theorie is dat Boudewijns vader wel Odoaker heette maar een lagere hoveling was.
Boudewijn en Judith hadden vier kinderen:
  • Karel, geb. ca. 864, jong gestorven
  • Boudewijn
  • Rudolf van Cambrai
  • vermoedelijk nog een dochter, de kronieken van het klooster van Waulsort vermelden bij de dood van Rudolf van Cambrai dat Wouter, de zoon van Rudolfs zuster, probeerde hem te wreken.
Gunhilda, gehuwd in 877 met Wilfred I el Velloso, graaf van Urgel en Barcelona, wordt ook vaak als dochter van Boudewijn en Judith genoemd maar dit is gebaseerd op een verkeerde interpretatie van een middeleeuwse tekst. Zij was afkomstig uit de omgeving van Barcelona.

Karel de Kale

 
Karel de Kale (Frans: Charles le Chauve) (Frankfurt am Main, 13 juni 823 - Avrieux (Savoye), 6 oktober 877), keizer van het Roomse Rijk , (875-877, als Karel II, met de grenzen van zijn land vastgesteld door het Verdrag van Verdun in 843) was de jongste zoon van keizer Lodewijk de Vrome en zijn tweede vrouw Judith van Beieren

Carlo calvo.jpg

Karel werd geboren in Frankfurt aan de Main als jongste zoon van keizer Lodewijk de Vrome, de enige uit diens tweede huwelijk, met Judith van Beieren. Karel werd opgevoed in het klooster van Reichenau door Walahfrid Strabo, een bekende intellectueel van zijn tijd.

 

Walahfrid Strabo (circa 808 – 18 augustus 849) was van 842 tot zijn dood in 849 abt van het Benedictijner klooster op het eiland Reichenau in het Bodenmeer.
Al op zeer jeugdige leeftijd trad hij in het klooster in. Hij werd daar onderwezen door abt Grimald. Later zette hij zijn studie voort in de Abdij van Fulda onder Hrabanus Maurus. Door Lodewijk de Duitser werd hij naar het hof gehaald om daar hofkapelaan van keizerin Judith te worden en een bijdrage te leveren aan de opvoeding van Karel II.
In 849 kwam Walahfrid bij een ongeluk om het leven.
Walahfrid heeft een belangrijk literair oeuvre nagelaten. De bekendste werken zijn: de Visio Wettini en De cultura hortorum. Verder schreef Walahfrid Versus in Aquisgrani palatio editi anno Hludovvici imp. XVI, een hagiografie over de heilige Gallus, de Vita Otmars en een afschrift van het Palestrinatractaat van Arculfus-Adamnanus.
Zijn gedicht, Liber de cultura hortorum, was een lofzang over de studie van planten en kruiden. Het werd opgedragen aan abt Grimald van de Abdij van Sankt Gallen.
 
In 817 had Lodewijk zijn rijk al verdeeld tussen de drie zoons uit zijn eerste huwelijk door de Ordinatio Imperii. Judith zette zich uit alle macht in om ook haar zoon Karel een erfdeel te geven, en werd daarbij gesteund door een invloedrijke fractie van hovelingen. In die periode kreeg Karel zijn bijnaam "de Kale", wat in deze context "zonder bezit" betekent. In 829 had Judith succes en kreeg Karel, Allemanië toegewezen, vermoedelijk omdat hij dat jaar 16 werd en als meerderjarig werd beschouwd. Dit was een inbreuk op het evenwicht van de Ordinatio Imperii, wat leidde tot onvrede bij zijn halfbroers - vooral bij Lotharius I, die het meest werd benadeeld door de nieuwe verdeling.

Lotharius I

De halfbroers van Karel en andere tegenstanders van Judith, Karel en hun fractie aan het hof, hebben voortdurend geruchten verspreid dat Karel het kind zou zijn uit overspel van Judith met Bernard van Septimanië. Bernard was de leider van Judiths fractie aan het hof.

Conflict en deling van het Rijk

Lodewijk de Duitser
 
In 832 waren de spanningen zo hoog opgelopen dat Pepijn I van Aquitanië, de tweede zoon van keizer Lodewijk de Vrome, in opstand kwam tegen zijn vader. Lodewijk ontnam Pepijn zijn koninkrijk en gaf het aan Karel. Nu kwamen Lotharius en Lodewijk de Duitser, de broers van Pepijn, ook in opstand. In 834 was Lodewijk de Vrome gedwongen om de situatie van voor 832 te herstellen. In 837 vroeg Lodewijk de Vrome de landdag van Crémieux om Karel als koning tussen Friesland en de Seine te erkennen, wat leidde tot een nieuwe opstand. Na de dood van Pepijn in 838, werd Karel in 839 op de landdag van Worms tot koning van West-Francië benoemd.
Na de dood van Lodewijk de Vrome in 840 brandde de strijd om de verdeling van het rijk echt los. Lotharius en de zoon van Pepijn, Pepijn II van Aquitanië vielen Karel aan, die een bondgenootschap met Lodewijk de Duitser sloot. Op 25 juni 841 versloegen Karel en Lodewijk hun tegenstanders bij Fontenay. Lotharius moest zich terugtrekken op Aken maar moest later ook die stad opgeven. In 842 bevestigden Karel en Lodewijk hun verbond te Straatsburg met de eed van Straatsburg. Karel werd datzelfde jaar in Aken tot koning van West-Francië benoemd.
Op 14 februari 843 sloten Karel, Lodewijk en Lotharius het verdrag van Verdun. Dat bevestigde Karel als geheel zelfstandige koning van West-Francië.

Pepijn I van Aquitanië

Pepijn was de tweede zoon van Lodewijk de Vrome uit diens huwelijk met Ermengarde van Haspengouw.
In augustus 814 kreeg hij van zijn vader het rijksdeel Aquitanië toegewezen, dat hij als een politiek enigszins zelfstandig gebied wist te bewaren. Dit kwam vooral tot uitdrukking bij de kroning van zijn zoon Pepijn II.
In 822 huwde hij Ringart (Hringard) of Ingeltrude, dochter van graaf Teudbert van Madrie, bij wie hij twee zonen had : Pepijn II, die hem in Aquitanië opvolgde, en Karel (waarschijnlijk 825/830-4 juni 863), die op 8 maart 856 aartsbisschop van Mainz werd.
Pepijn legde de woorden van zijn raadsman Berengar van Toulouse naast zich neer en stond in 830 samen met zijn oudste broer Lothar en met de steun van Bernard van Septimanië tegen zijn vader Lodewijk de Vrome op. Deze versloeg hem in 832 bij Limoges en verbande hem naar Trier. Pepijn wist evenwel te ontsnappen en sloot zich aan bij een nieuwe opstand van zijn beide broers; deze keer moest Lodewijk in 833 op het Leugenveld in de Elzas het onderspit delven, waarna zijn drie zonen hem afzetten.
Het machtsstreven van de oudste broer Lothar bracht Pepijn ertoe om van kamp te veranderen; samen met zijn jongere broer Lodewijk de Duitser bracht hij zijn vader op 1 maart 834 weer op de troon. Nauwelijks vijf jaar later overleed hij, men begroef hem in de Heilige Kruiskerk van Poitiers, de hoofdstad van zijn koninkrijk Aquitanië.

Pepijn II van Aquitanië

Pepin II d Aquitaine obole 845 to 848.jpg

Pepijn II van Aquitanië (ca. 823 - Senlis, na 864), was de oudste zoon van Pepijn I van Aquitanië en Ringarde/Ingeltrude van Madrie, een dochter van graaf Theodebert van Madrie. Dat maakt hem een kleinzoon van Lodewijk de Vrome.
Bij de dood van zijn vader in 838 werd hij door de adel van Aquitanië tot opvolger gekozen. Dit paste echter niet in de plannen van Lodewijk de Vrome die Aquitanië al in 832 had toegezegd aan zijn zoon Karel. Dit vormde de aanleiding tot een langjarig conflict tussen oom en neef.
In 848 wordt Pepijn afgezet door zijn eigen edelen en in 852 gevangen en uitgeleverd. Hij wordt opgesloten in de Sint-Medardusabdij van Soissons. Met de hulp van zijn jongere broer Karel ontsnapt hij in 854. Met steun van vikinghuurlingen trachtte hij zijn gebied te heroveren maar werd gestuit door de troepen van Karel het Kind, tweede zoon van koning Karel de Kale.
Teneinde tevens de dreiging van Lodewijk de Duitser, die eveneens Aquitanië claimde, tegen te gaan, werd Karel het Kind uitgeroepen tot koning van Aquitanië in 855.
Bij een poging Toulouse te veroveren, werd Pepijn II in 864 gevangen en bij edict afgezet. Hij werd opgesloten in het klooster van Senlis waar hij kort nadien is overleden.

 
Consolidatie van West-Francië
In november 843 sloot Karel het verdrag van Coulaines met de adel en de geestelijkheid van West-Francië waarin de rechten en plichten van de drie partijen ten opzichte van elkaar werden vastgelegd. Dit document wordt beschouwd als een eerste "grondwet" van feodaal Europa. Later zou hij in 864 met het Edict van Pîtres een aantal belangrijke sociaal-economische hervormingen doorvoeren (beperkt lijfeigenschap door schuld, hervormt het muntwezen en verbiedt het op eigen gezag bouwen van vestingen, geeft opdracht om in alle riviersteden versterkte bruggen aan te leggen om de Vikingen te kunnen tegenhouden, en verplicht alle eigenaren van paarden tot militaire diensten en legt zo de kiem voor de ridderstand).Karel, die in een klooster was opgevoed, vestigde zijn bestuur op de geestelijkheid.
Bernard van Septimanië werd in 844 op bevel van Karel geëxecuteerd omdat hij tijdens de burgeroorlog zijn beloften aan Karel had gebroken en uiteindelijk de kant van Pepijn II had gekozen. Bretagne wist de onafhankelijkheid van West-Francië te behouden doordat de hertogen Nominoë (845) en Erispoë (851) Karel wisten te verslaan. In 848 wist Karel definitief Aquitanië te verwerven toen Pepijn II werd afgezet en gevangengenomen.
Op uitnodiging van Aquitaanse edelen stuurde Lodewijk de Duitser in 854 zijn zoon Lodewijk III de Jonge met een leger, om koning te worden in Aquitanië. Lodewijk III bereikte zonder tegenstand Limoges. Karel liet als tegenzet Pepijn II van Aquitanië vrij uit zijn gevangenschap. Pepijn wist een grote aanhang te mobiliseren in Aquitanië en Lodewijk moet zich terugtrekken.

Lodewijk III de Jonge

Lodewijk III de Jonge (ca. 835 - 20 januari 882), was van 876 tot 882 koning van Oost-Francië en van 880 tot 882 heerser van Beieren.
Lodewijk III was de tweede zoon van Lodewijk de Duitser en diens vrouw Emma. In 865 werd Lodewijk III regent van Oost-Francië dat bestond uit Frankenland, Saksen en Thüringen. In 870 werd na het verdrag van Meerssen het oosten van Lotharingen hieraan toegevoegd. Na de dood van zijn vader werd Lodewijk III koning van al deze gebieden. Lodewijk zorgde er ook voor dat zijn vader in zijn abdij in Lorsch werd begraven. Bijna meteen na de dood van zijn vader werd Lodewijk aangevallen door zijn oom Karel de Kale. Op 8 oktober 876 versloeg Lodewijk zijn oom bij Andernach met een kleiner leger en wist zo zijn gebieden in Lotharingen te behouden. Na de dood van zijn broer Carloman van Beieren in 880 kreeg Lodewijk ook Beieren toegewezen. Na het Verdrag van Ribemont heerste Lodewijk over heel Lotharingen.

Crisis door aanvallen van de Vikingen

 
De regering van Karel werd geplaagd door plundertochten van Vikingen. Karel was meerdere malen gedwongen om een dreigende inval met grote geldbedragen af te kopen. In de ogen van veel leidende edelen was dit een gebrek aan daadkracht. In 858 bracht dit een grote groep edelen onder Robert IV de Sterke ertoe om een beroep op Lodewijk de Duitser te doen. Die was er namelijk wel in geslaagd om zijn koninkrijk te vrijwaren van de Vikingen. Lodewijk wist Karel te verslaan bij Brienne. Lodewijk trok met zijn leger naar Orléans en werd daar gehuldigd door de meeste edelen van Aquitanië, Bretagne en Neustrië. Karel vluchtte naar Bourgondië. De bisschoppen eisten echter dat Lodewijk zich zou terugtrekken en om hen tegemoet te komen, zond hij een deel van zijn leger terug naar Oost-Francië. Toen het daarna bij Soissons tot een confrontatie tussen Karel en Lodewijk kwam, zag Lodewijk dat Karel een overmacht had en trok hij zich terug.
Ook hierna bleven de plundertochten van de Vikingen aanhouden.

Verdeling van het Middenrijk

De decennia na de dood van Lotharius (855) werden gedomineerd door het onvermogen van zijn zoons, Lodewijk van Italië, Lotharius II en Karel van Provence om in Midden-Francië een duurzame staat te vestigen, en door hun onvermogen om wettige mannelijke nakomelingen te produceren. Uiteindelijk leidde dit ertoe dat Karel en Lodewijk de Duitser het gehele Middenrijk onder elkaar verdeelden. Vooral het opportunisme dat Karel daarbij aan de dag legde, zorgde ervoor dat Karel en Lodewijk regelmatig met elkaar in conflict kwamen:



  • 859 Lotharius II gaf de gebieden ten zuiden van de Jura, die werden gedomineerd door de opstandige hertog Hugbert, aan Lodewijk de Duitser. Toen Lodewijk probeerde om Hugbert te onderwerpen, ging Karel Hugbert steunen.
  • 860 na het kinderloos overlijden van Karel van Provence probeerde Karel om diens koninkrijk te annexeren. Dit mislukte door het verzet onder leiding van Girard II van Roussillon en dreiging van Lodewijk de Duitser. Uiteindelijk erfde zijn broer Lotharius II het grootste deel van het koninkrijk van Karel van Provence, zijn tweede broer, Lodewijk van Italië kreeg de rest. Karel en Lodewijk de Duitser sloten in Koblenz een verdrag om hun geschillen bij te leggen.
  • Karel en Lodewijk frustreerden eendrachtig de pogingen van Lotharius II om van zijn kinderloze echtgenote te scheiden en te trouwen met zijn minnares om haar kinderen te echten. In 868 sloten Karel en Lodewijk een verdrag over de verdeling van zijn koninkrijk, indien Lotharius inderdaad zonder kinderen zou komen te overlijden.
  • 869 na het overlijden van Lotharius annexeerde Karel diens gehele koninkrijk omdat Lodewijk ziek was en zijn leger door oorlogen aan zijn oostelijke grenzen was gebonden.
  • 870 onder dreiging van oorlog stemde Karel op 22 januari toe in het verdrag van Meerssen waarbij alsnog een verdeling van Lotharingen en het koninkrijk van Karel van Provence, dat Lotharius II had geërfd, werd geregeld. De grens liep van langs de Maas, Ourthe en Moezel in Lotharingen en in het zuiden langs de Saône en de Rhône (hoewel Karel ook de graafschappen Besançon, Lyon en Vienne, op de oostelijke oevers van deze rivieren kreeg).
  • 875 na het overlijden van Lodewijk van Italië bood de Italiaanse adel Karel de koningstitel aan, ondanks de afspraken die Lodewijk van Italië met Lodewijk de Duitser had gemaakt dat diens zoon Karloman zijn erfgenaam zou zijn. Op 25 december werd Karel te Rome door paus Johannes VIII keizer gekroond.
  • 876 Karel werd in Pavia uitgeroepen tot koning van Italië. Lodewijk de Duitser viel met zijn leger West-Francië binnen. Karel haastte zich terug. Na het overlijden van Lodewijk probeerde Karel door een snelle veldtocht Oost-Francië te veroveren maar hij werd op 8 oktober verslagen bij Andernach, een oversteekplaats van de Rijn.
Op verzoek van de paus keerde Karel terug naar Italië om de dreiging van de Saracenen het hoofd te bieden. Hij wist dat hij bij zijn vertrek West-Francië in de zwakke handen van zijn zoon Lodewijk de Stamelaar achterliet, daarom verklaarde hij voor de periode van zijn afwezigheid alle titels en functies erfelijk. Zo hoopte hij tijdens zijn afwezigheid twisten tussen edelen te voorkomen als er edelen bij de veldtocht in Italië om het leven zouden komen. Achteraf gezien was dit een belangrijke stap in de ontwikkeling van het feodale stelsel. Karels eigen edelen (ook Boso, zijn onderkoning in Italië) verzetten zich tegen de veldtocht en tegelijk trok Karloman ook naar Italië. Onder deze omstandigheden besloot Karel om terug te keren maar overleed bij het overtrekken van de Col du Mont Cenis aan een plotselinge ziekte. Zowel zijn joodse lijfarts als zijn tweede echtgenote werden ervan verdacht Karel te hebben vergiftigd. Het lukte niet zijn lichaam terug naar Parijs te brengen omdat de dragers de stank van zijn rottende lichaam niet konden verdragen, ook niet toen het in een met leer gevoerd vat werd gestopt. Karel werd met vat en al begraven in Nantua. Later werd hij herbegraven in Saint-Denis.

Karel trouwde op 13 december 842 met Ermentrudis van Orléans. Nadat haar broer Willem in 866 in conflict met Karel was gedood, verliet zij Karel en trad in een klooster. Zij hadden de volgende kinderen:
 
 
  • Judith (ca. 844-na 870), was eerst gehuwd met twee Engelse koningen (Ethelwulf en Ethelbald van Wessex) en leefde als weduwe aan het hof van haar vader. Werd daar in 861 (ze was dus nog geen 20 jaar oud) geschaakt door Boudewijn I van Vlaanderen. Karel wendde al zijn invloed aan om te voorkomen dat ze ergens onderdak zouden krijgen. Uiteindelijk vluchtten Judith en Boudewijn naar Rome, waarna de paus een verzoening wist te bemiddelen.
  • Lodewijk II van West-Francië (846-879).
  • Karel (ca. 847 - Buzzancais, 29 september 866) begraven te Bourges. 855 gekozen tot koning van Aquitanië, trouwde 862 tegen de zin van zijn vader met de weduwe van de graaf van Bourges. Verloor daarom zijn titel maar kreeg die terug nadat het huwelijk was geannuleerd. Kreeg ernstig hersenletsel en overleed daaraan na twee jaar.
  • Carloman de Blinde ( - Echternach, ca. 877), in 854 ingetreden in de geestelijke stand. Werd in 860 abt van de Sint-Medardusabdij te Soissons. Nam deel aan een samenzwering tegen zijn vader in 870, verloor zijn abdijen en moest vluchten. In 873 door West-Frankische bisschoppen uit de kerk gezet en daarna werden op bevel van Karel zijn ogen uitgestoken. Hij werd opgesloten in de abdij van Corbie maar ontsnapte naar Lodewijk de Duitser, die hem abt van Echternach maakte.
  • Lotharius ( - Auxerre, 865), vanaf zijn geboorte verlamd, abt van Moutier-Saint-Jean en later van de Abdij van Sint-Germanus van Auxerre.
  • Hildegardis.
  • Ermentrudis, ( - na 877) abdis van Hasnon en Oostervant.
  • Gisela.
  • Rothrudis ( - na 889), abdis van Sainte-Radégonde te Poitiers en van Andlau.
Op 12 oktober 869 (vijf dagen na het overlijden van zijn eerste vrouw) trouwde Karel met Richildis, dochter van Bivinus van Metz. Het huwelijk werd 22 juni 870 te Aken bevestigd. Ze kregen de volgende kinderen:
  • Rothildis (871-929), in 890 gehuwd met Roger van Maine, verwerft de abdijen van Notre-Dame en St Jan te Laon en de Abdij van Chelles. Trok zich in 922 terug in Chelles. Toen ze deze abdij moest afstaan op bevel van Karel de Eenvoudige was dat de aanleiding voor een opstand onder Robert van Bourgondië (vader van een schoonzoon van Rothildis), die in plaats van Karel koning werd.
  • tweeling: Drogo en Pepijn, (ca. 873) allebei ongeveer een jaar oud overleden, begraven in de Abdij van Sint-Amand
  • zoon (23 maart 875), kort na zijn doop overleden
  • Karel (10 oktober 876 - voor 7 april 877), begraven te Saint-Denis

Lodewijk de Vrome

Louis Ier le Pieux ou le Débonnaire.jpg


Lodewijk de Vrome (Chasseneuil bij Poitiers, 11 april 778 - Ingelheim am Rhein, 20 juni 840), ook wel de Eerlijke en de Joviale, was de Koning van Aquitanië vanaf 781. Hij was ook Koning der Franken en co-keizer (als Lodewijk I) met zijn vader, Karel de Grote, vanaf 813. Als de enige overlevende volwassen zoon van Karel de Grote en Hildegard, werd hij de enige heerser der Franken na de dood van zijn vader in 814, een positie die hij bekleedde tot zijn dood, met uitzondering van de periode 833-834, waarin hij werd afgezet.
Tijdens zijn bewind in Aquitanië werd Lodewijk belast met de verdediging van de zuidwestelijke grens van het rijk. Hij veroverde Barcelona van de moslims in 801 en deed Frankische autoriteit gelden over Pamplona en de Basken ten zuiden van de Pyreneeën in 812. Als keizer nam hij zijn volwassen zonen - Lotharius I, Pepijn I van Aquitanië en Lodewijk de Duitser - op in de regering en zocht naar een geschikte verdeling van het rijk tussen hen. Het eerste decennium van zijn bewind werd gekenmerkt door verschillende tragedies en vernederingen, met name de brutale behandeling van zijn neef Bernard van Italië, waarmee hij zich verzoende in een publieke act van zelfvernedering. In de jaren 830 werd zijn rijk verscheurd door een burgeroorlog tussen zijn zonen, alleen verergerd door pogingen van Lodewijk om zijn zoon Karel de Kale te omvatten in zijn opvolgingsplannen. Hoewel zijn bewind eindigde op een hoge noot, met orde grotendeels hersteld, werd het gevolgd door drie jaren burgeroorlog. Lodewijk wordt over het algemeen ongunstig vergeleken tegenover zijn vader, maar de problemen die hij confronteerde waren van een ander soort.

Lodewijk de Vrome

Terwijl Karel de Grote in Noord-Spanje op veldtocht was, beviel zijn vrouw Hildegard, hetzij op 11 april, hetzij in juni/augustus 778 in de palts van Chasseneuil bij Poitiers van een tweeling. Na Karels terugkeer werden ze als Lodewijk en Lothar gedoopt. De Karolingische koningsnamen Karel, Karloman en Pepijn waren reeds aan Karels eerder geboren zonen vergeven, zodat men besloot terug te grijpen naar deze van de belangrijkste Merovingische koningen Chlodowech I oftewel Clovis, en Chlotarius I. De kleine Lothar stierf reeds in 779, maar Lodewijk overleefde.

File:Charlemagne et Louis le Pieux.jpg
Karel de Grote kroont Lodewijk de Vrome tot koning

Ten tijde van de geboorte van Lodewijk begon Karel de Grote een politiek van decentralisatie van bestuur en militair bevel vorm te geven. Doel daarvan was om in alle strategische grensgebieden een permanent aanwezige macht te hebben, onafhankelijk van de verblijfplaats van Karel zelf. Hiertoe creëerde Karel koninkrijken voor zijn zoons, die daar moesten gaan wonen en het bestuur en het militaire bevel op zich moesten nemen. Lodewijk, drie jaar oud, werd in 781 koning van Aquitanië en daarmee belast met de confrontatie met de Arabieren in Spanje, onder regentschap van een hofhouding van ervaren hovelingen, bestuurders en bevelhebbers, die zijn taken voor hem waarnamen.
Lodewijk ontving als kind goed onderwijs, hij sprak vloeiend Latijn en beheerste ook Grieks. Hij werd verder opgevoed volgens de gewoonten en wetten van Aquitanië.
In 797 verwierf Lodewijk Barcelona nadat de Arabische gouverneur van die stad in opstand was gekomen en toen zijn opstand mislukte de stad liever aan de Franken overdroeg. In 799 ging Barcelona verloren maar in 800 leidde Lodewijk met Willem met de Hoorn en zijn zoon Bera, een leger van Aquitaniërs, Basken, Visigoten (uit Septimanië en de Provence) en belegerde Barcelona, de stad valt uiteindelijk in 801. Hiermee ontstond de Spaanse Mark.
In 806 regelde Karel de Grote zijn erfenis. Volgens deze verdeling zou Karel de jongere vermoedelijk koning worden boven zijn broers en kreeg hij de kern van het rijk, Pepijn kreeg Italië en delen van Zuid-Duitsland en Lodewijk kreeg Aquitanië, een deel van Bourgondië en de Provence.
In 812 bedwong Lodewijk een Baskische opstand. Hij ging voor zijn vader minstens een keer op campagne tegen Benevento in Zuid-Italië.

Door de dood van zijn beide oudere broers, Pepijn en Karel de Jongere, was Lodewijk de enige overgebleven erfgenaam. Op 11 september 813 kwamen de rijksgroten te Aken bijeen en waren getuige van de feestelijke verheffing van de zoon van Karel de Grote tot mederegent en exclusieve erfgenaam van het Rijk, met de daaraan verbonden konings- en keizerstitels. In 814 werd Lodewijk koning van de Franken als opvolger van zijn vader. Hij regeerde vrijwel het gehele rijk zelf, alleen Italië heeft met Bernard, een zoon van Pepijn, nog een eigen koning.
Het beleid van Lodewijk werd sterk bepaald door de invloed van zijn hovelingen (waaronder veel van zijn vertrouwelingen uit Aquitanië) en zijn echtgenotes. Hij begon een intensieve periode van wetgeving en staatkundige en kerkelijke hervorming. Lodewijk verplichtte alle kloosters de leefregels van Benedictus te volgen en hij moderniseerde de rechtspraak. Hij stuurde al zijn ongetrouwde (half)zusters naar het klooster om zo machtsvorming rondom toekomstige zwagers bij voorbaat te voorkomen. Zijn onwettige halfbroers liet hij met rust maar zijn neven (behalve Bernard) dwong hij ook om in het klooster te treden, hoewel die juist bijzonder trouw waren geweest. Zijn belangrijkste raadslieden waren graaf Bernard van Septimanië en Ebbo, de zoon van zijn min en dus een soort broer, die hij in 816 aartsbisschop van Reims werd. Hij hield ook ministers van zijn vader zoals Elisachar (abt van St Maximin te Trier) en Hildebold (aartsbisschop van Keulen) aan. In 815 maakte hij zijn zoons, Lotharius en Pepijn respectievelijk gouverneur van Beieren en gouverneur van Aquitanië. In 816 tenslotte werd Lodewijk door paus Stephanus, te Reims, tot keizer van het Westen gekroond.
Stephen IV.jpg



Bernard van Septimanië

In 826/827 viel emir Abd-er-Rahman II van Córdoba Barcelona aan. Hoewel het hof van Lodewijk een leger, onder leiding van Hugo van Tours en Matfried van Orléans, stuurde om de graaf van Barcelona bij te staan, moest deze de aanval zelf weten af te slaan omdat de legeraanvoerders te lang talmden hem te hulp te komen. Zij werden daarvoor door Lodewijk de Vrome bestraft. Bernard werd een naaste raadgever van de keizer en vooral van zijn vrouw Judith. Daarmee kreeg hij een sleutelrol in de strijd tussen enerzijds de oudere zoons van Lodewijk -vooral Lotharius- tegenover Judith en haar zoontje Karel anderzijds.
In 829 werd in Worms besloten aan Karel, die toen slechts zeven jaar oud was, een deel van het rijk toe te kennen. Bernard werd benoemd als kamerling. De tegenpartij, met leidsman Wala van Corbie, reageerde met een grootscheepse lastercampagne tegen Bernard en Judith. Zij werd beschuldigd van overspel, hekserij en zelfs van plannen de keizer te vermoorden.
In 830 kwamen de andere zoons Lotharius I, Lodewijk de Duitser en Pepijn van Aquitanië in opstand om hun vader 'te bevrijden' van de slechte vrouw aan zijn zijde. Er ontstond een burgeroorlog met wisselende partijen. Zo wist Bernard, die zich teruggetrokken had in Barcelona, Pepijn van Aquitanië te overreden tegen Lotharius in opstand te komen. Deze antwoordde onder andere met een beleg van Chalons waar hij Gauzhelm en Gerberga, een broer en een zus van Bernard, liet ombrengen; de laatste door haar te beschuldigen van hekserij.
Na de dood van Pepijn van Aquitanië werd dit deelrijk aan Karel de Kale gegeven en deze trachtte ook Bernard -die Pepijns onterfde zoon Pepijn II steunde- voor zich te winnen. Na de slag van 25 juni 841 waarin Lotharius en Pepijn II verslagen werden door Karel en Lodewijk (de Duitser) bewees Bernard zijn trouw aan Karel door hem zijn zoon Willem als gijzelaar geven. Dhuoda schreef naar aanleiding hiervan haar beroemde Handboek waarin zij de ideale opvoeding van een jonge christelijke edelman beschrijft.
De bemoeienissen van Dhuoda mochten niet veel baten. In 850 trachtte Willem, met steun van de Robertijnen, Barcelona terug in handen te krijgen. Hij werd, net als zijn vader voorheen, daarvoor door Karel terechtgesteld.

Opstanden en conflicten
Conflicten tussen Lodewijk en zijn zoons, en tussen de zoons onderling, worden hieronder apart behandeld.
  • 815: een opstand van de hertog van Gascogne, maar die werd verslagen en vervangen door Wolf III Centullus van Gascogne, die in 818 op zijn beurt zou worden vervangen
  • 816: een opstand van de Sorben en de Obodriten wordt voor een paar jaar onderdrukt.
  • 817: Vikingen plunderden langs de Elbe
  • 818: onderwerping van Bretagne. Vikingen plunderden langs de Loire
  • 820: campagne tegen de Arabieren in Spanje loopt op niets uit omdat de verantwoordelijke edelen (o.a. Hugo van Tours) de expeditie traineerden. Meerdere jaren van campagnes (samen met de Dalmatiërs) tegen de Kroaten hebben een wisselend succes, maar uiteindelijk werden de Kroaten verslagen. Vikingen plunderen in Vlaanderen.
  • 822: Lodewijk begint uit politieke overwegingen de zendingsarbeid onder de Denen. Lodewijk maakt de paus weer meer afhankelijk van de keizer.
  • 824: Lodewijk onderwierp Bulgaarse stammen in de Pannonische laagvlakte
  • 827: Lodewijk verloor Pannonie aan de Bulgaren. Moren belegeren Barcelona
  • 832: Moren hielden plundertochten tot bij Marseille en in het Rhônedal
Vikingen. (zie extra pagina)

De Vikingen of Noormannen waren (en hun nakomelingen zijn) Scandinavische bewoners van Zuid-Noorwegen, Zweden en Denemarken. In veel gevallen wordt onderscheid gemaakt tussen beide termen, waarbij de term Noormannen staat voor de gehele bevolkingsgroep, terwijl met de term Vikingen slechts het zeevarende deel van die groep wordt bedoeld dat vanuit Scandinavië Europa introk. De huidige Denen, Zweden, Noren en IJslanders zijn grotendeels directe nakomelingen van de Noormannen.


Kaart van de Vikinggebieden en expedities

Over de oorsprong van het woord 'Viking' zijn al tal van theorieën geponeerd door wetenschappers. Zo zou het woord afkomstig zijn van het woord 'víc' /wi:k/, dat vertaald wordt als fjord, baai, rover of handelaar. Volgens sommige theorieën zou met Víc (Vík) specifiek het stuk zee tussen het zuiden van Noorwegen en het zuiden van Zweden, waarvan het grootste deel tot het huidige Skagerrak behoort, worden aangeduid. Ook wordt het woord in verband gebracht met West-Noorse termen die gebruikt werden tegen het einde van de Vikingperiode: vikingr en viking betekenen zoveel als 'iemand die op zee vecht', 'rover',of 'oorlog op zee'.

Ordinatio Imperii

Tijdens een kerkelijke feestdag in 817 in Aken, stortte een houten loopbrug tussen het paleis en de kerk in. Ook Lodewijk was op die loopbrug aanwezig maar bleef ongedeerd, hoewel er veel slachtoffers vielen. Deze gebeurtenis was voor Lodewijk een van de redenen om zijn opvolging te regelen. In het document Ordinatio Imperii benoemde hij zijn oudste zoon Lotharius tot eerste erfgenaam en medekeizer en zijn andere zoons Pepijn (Aquitanië, Gascogne, Toulouse, Carcassonne, Autun, Avallon, Nevers) en Lodewijk (Beieren en aanliggende marken) en hun neef Bernard (Italië) tot onder-koningen. Hij probeerde hiermee te bereiken dat de eenheid van zijn rijk na zijn eventueel overlijden zou worden bewaard en dat zo een burgeroorlog zou kunnen worden voorkomen. In feite heeft Lodewijk door de benoeming van koningen in grensgebieden met sterke tegenstanders teruggegrepen op de staatsinrichting van Karel de Grote :
  • Pepijn tegen de Arabieren in Spanje
  • Bernard tegen de Arabieren en het Byzantijnse Rijk in Italië
  • Lodewijk tegen de Avaren en andere volken uit Oost-Europa
Oorkonde van Lodewijk de Vrome, verleend aan de Sint-Baafsabdij, waarin Lodewijk haar immuniteit bevestigt die ze reeds ontvangen had van Lodewijks vader (in het Stadsmuseum Gent)

Opstand van Bernard

Bernard vond dat zijn positie door de Ordinatio Imperii was verzwakt en was bang dat hij uiteindelijk in een ondergeschikte positie ten opzichte van de zoons van Lodewijk zou worden gedwongen. Aan zijn hof werden wilde plannen gemaakt over een onafhankelijk koninkrijk en hij stuurde troepen om de Alpenpassen te bezetten. Lodewijk trok met zijn leger naar Chalon-sur-Saône en nodigde Bernard uit hem daar te bezoeken. Toen bleek dat een aantal van zijn belangrijke edelen een opstand niet zouden steunen, had Bernard geen keuze dan te gaan en zich uiteindelijk over te geven. Hij werd ter dood veroordeeld, maar daarna begenadigd. Wel werden zijn ogen uitgestoken. Nadat deze straf in Aken onoordeelkundig was uitgevoerd, stierf Bernard alsnog na twee dagen van ondragelijk lijden. Bisschop Theodulf van Orléans, een van de grootste geleerden van het rijk, werd van medeplichtigheid beschuldigd en opgesloten in een klooster, waar hij korte tijd later onder verdachte omstandigheden overleed. Het lot van Bernard en Theodulf bezorgde Lodewijk een groot schuldgevoel, dat hem de rest van zijn leven zou belastten. Hij zou de dood van zijn vrouw in 818 zien als een straf van god, hoewel er ook geruchten waren dat Ermengarde zelf de hand in de dood van Bernard had gehad.
In reactie op de opstand van Bernard dwong Lodewijk zijn halfbroers om toe te treden tot de geestelijkheid. In 822 deed Lodewijk voor zijn hof en voor de paus een publieke schuldbekentenis, waar hij de verantwoordelijkheid voor de dood van Bernard op zich nam. Hij beleed daarbij ook een aantal andere fouten en zonden. Dit was slecht voor zijn prestige onder de edelen. Hij liet zijn neven toen weer uit het klooster en gaf ze weer functies aan het hof.

Crisis (829 - 835)
Judith van Beieren (805-843)
Judith werd als tweede vrouw van Lodewijk gekozen na een soort schoonheidswedstrijd, maar haar belangrijke familieconnecties in Zwaben, Beieren en Saksen zullen ook een rol gespeeld hebben. Zij ontving bij haar huwelijk het klooster San Salvatore bij Brescia. Zij had een grote invloed op het beleid van Lodewijk en speelde steeds een belangrijke rol om de positie van haar zoon Karel te versterken en om hem van bondgenoten en troepen te voorzien. Zij begunstigde vooral de Saksische abdijen; zo bezat de abdij van Corvey nog 700 jaar lang een kostbaar kruis dat Judith had geschonken en werd er tot 1803 ieder jaar "Judithsbrood" uitgedeeld aan de armen.

Op aandringen van zijn tweede echtgenote, Judith, benoemde Lodewijk in 829 hun zoon Karel tot hertog (niet koning, dus formeel geen inbreuk op de Ordinatio Imperii) van Alemannië (Elzas, Zwaben, Raetië en een deel van Bourgondië). Dit ging natuurlijk ten koste van het erfdeel van Lotharius. Op aandrang van Wala, een van de neven van Lodewijk, die weer uit het klooster was gelaten, en andere edelen die waren verdrongen door gunstelingen van Judith, begonnen de broers Lotharius, Pepijn en Lodewijk een opstand tegen hun vader en vooral ook tegen de invloed, die Judith op Lodewijk had. Ebbo en Hildwin steunden de opstand net als een aantal bisschoppen. Bernard van Septimanië, de belangrijkste hoveling en een bondgenoot van Judith, werd beschuldigd van overspel met Judith - hij zou misschien zelfs de vader van Karel zijn.
In 830 overtuigde Wala Pepijn van het gevaar van Bernard van Septimanië. Pepijn trok met een leger naar Parijs en ontmoette met zijn leger Lodewijk de Duitser even ten noorden van Parijs. Lodewijk de Vrome keerde terug van weer een campagne tegen Bretagne (juist begonnen om door een externe vijand te bestrijden de eenheid te bewaren) en ging naar Compiègne. Daar werd hij door Pepijn gevangengenomen. Judith werd in Poitiers gevangengezet en Bernard van Septimanië vluchtte naar Barcelona. Lotharius trok in 831 met een groot leger naar het noorden en riep in Nijmegen een rijksdag bijeen. Maar Lodewijk de Vrome had Pepijn en Lodewijk de Duitser een groter deel in de erfenis beloofd en ook de lokale edelen bleven trouw aan Lodewijk de Vrome. Op de rijksdag moesten de zoons hun vader weer als koning erkennen. Lotharius werd begenadigd maar werd wel naar Italië verbannen. Judith moest een eed zweren dat zij onschuldig was. Wala en andere belangrijke edelen en geestelijken die achter de opstand zaten werden verbannen. Het gebied van Pepijn werd uitgebreid tot aan de Somme. Het gebied van Lodewijk de Duitser werd uitgebreid tot aan de Rijn. Karel kreeg het tussenliggende gebied van de Moezel tot aan de Provence. Lotharius hield alleen Italië over.
In 832 werd Pepijn aan het hof ontboden, waar hij kil werd ontvangen, als gevolg waarvan hij het hof zonder toestemming van zijn vader verliet. Lodewijk de Vrome was bang voor een opstand en stuurde een leger naar Aquitanië. Ondertussen trok Lodewijk de Duitser Schwaben (wat volgens de regeling van 831 binnen zijn gebied viel) binnen met Slavische bondgenoten. Lodewijk de Vrome onderwierp Lodewijk de Duitser bij Augsburg en Pepijn bij Limoges. Hij was zo boos dat hij Pepijn en Lodewijk al hun gebieden ontnam. Vervolgens benoemde hij Karel tot koning van Aquitanië en wees de rest van het keizerrijk aan Lotharius toe. Die koos echter voor een machtsgreep, verbond zich met Pepijn en Lodewijk de Duitser en marcheerde in 833 naar het noorden. De legers van Lodewijk de Vrome aan de ene kant en de drie opstandige broers aan de andere kant, ontmoetten elkaar bij Colmar. Er werd dagenlang onderhandeld maar ondertussen hadden de broers, met hulp van de paus, een deel van het leger van Lodewijk omgekocht of overgehaald om hun kant te kiezen. Lodewijk beval zijn resterende troepen uiteindelijk om niet meer te vechten om een kansloos bloedbad te voorkomen, en werd gevangengenomen en opgesloten in de Sint-Medardusabdij te Soissons. De plaats van de veldslag, die niet doorging, ging de geschiedenis in als het Lügenfeld (niet van leugen, maar van lueg - hinderlaag - die de drie zoons hier tegen hun vader gespannen hadden door zijn soldaten om te kopen). Karel de Kale werd opgesloten in de abdij van Prüm en Judith in Tortona. Lodewijk de Vrome werd door een synode (onder voorzitterschap van Ebbo) in Soissons afgezet en moest te Compiègne een openbare schuldbekentenis doen. Hij werd in Reims symbolisch van de drempel van de kerk verbannen.
Lodewijk de Duitser (inmiddels getrouwd met een zuster van Judith) begon onder invloed van zijn familie en schoonfamilie weer toenadering tot Lodewijk de Vrome te zoeken. Uit boosheid over het gedrag van Lotharius en de vernedering van Lodewijk de Vrome kozen ook steeds meer edelen in Neustrië en Austrasië de kant van Lodewijk de Vrome. Lotharius werd gedwongen om zich terug te trekken op Bourgondië. In 834 wilde Lotharius de situatie van de Ordinatio Imperii van 817 herstellen, waarbij hij als keizer dus boven zijn broers zou staan. Pepijn en Lodewijk waren hier niet van gediend, want zij wilden vasthouden aan de verdeling van 831 (zonder Karel) en als zelfstandige koningen regeren, zij verdreven Lotharius naar Italië en maakten hun vader weer keizer. In 835 verloren de belangrijkste partijgangers van Lotharius hun ambten en een aantal van hen overleed tijdens een epidemie in Italië.
De crisis was voorbij, maar Lodewijk zou de rest van zijn regering voortdurend in conflict blijven met zijn zoons.

De laatste jaren
De laatste jaren van het bewind van Lodewijk werden gekenmerkt door steeds wisselende allianties met zijn zonen, waarbij die geregeld titels en gebieden kregen en weer kwijtraakten. Ook in deze jaren vonden gewapende confrontaties met zijn zoons plaats. De aanvallen van de Vikingen werden heftiger.
  • 836 - Vikingen plunderden Utrecht en Antwerpen.
  • 837 - Vikingen veroverden Nijmegen, maar werden door Lodewijk de Vrome verjaagd. Karel werd tot koning van Alemannië en Bourgondië gekroond. Dit ging vooral ten koste van Lodewijk de Duitser, die prompt in opstand kwam. Lodewijk de Vrome gaf in reactie alle gebieden van Lodewijk de Duitser behalve Beieren aan Karel.
  • 838 - Vrede met de Vikingen. Lodewijk de Vrome beval de bouw van een Noordzee-vloot en stelde gezanten aan voor Friesland. Na het overlijden van Pepijn benoemde Lodewijk Karel ook tot koning van Aquitanië maar de edelen kozen Pepijns zoon: Pepijn II. Lodewijk dreigde met een aanval.
  • 839 - Lodewijk de Duitser viel Schwaben binnen, Pepijn II trok naar de Loire. De Vikingen vielen Friesland binnen en plunderden Dorestad. Lotharius koos door bemiddeling van Judith nu de kant van Lodewijk de Vrome. Pepijn II werd verslagen en onterfd.
  • 840 - Karel werd erkend als koning van Aquitanië. Lodwijk dreef Lodewijk de Duitser terug tot aan de Oostmark. Het keizerrijk werd door Lodewijk opnieuw verdeeld: Karel kreeg Neustrië en Aquitanië, Lodewijk de Duitser kreeg Beieren en de rest van het rijk was voor Lotharius.
Op 20 juni 840 overleed Lodewijk na een ziekte in de palts van Ingelheim, op een eiland in de Rijn. Lodewijk ligt begraven in de abdij van St Arnulph te Metz. Na drie jaar van spanning en strijd zouden zijn zoons uiteindelijk zelf bepalen hoe het rijk werd verdeeld.

Een penning van Lodewijk de Vrome (bron: vHerwijnen)
 
De gebruikelijke munteenheid was de denier, ook wel Penning genoemd. De voorkant laat meestal een kruis zien, de achterkant een tempeltje. De zilveren denier (denarius) is al tijdens de Romeinse Republiek, dat wil zeggen, vanaf 223 v.Chr., in gebruik geweest. De ondergang van het West-Romeinse Rijk in 476 betekende ook het verdwijnen van de denarius. De vader van Lodewijk, Karel de Grote herintroduceerde de penning. De muntslag van Lodewijk de Vrome vond onder andere plaats in Utrecht, Dorestad en mogelijk Deventer.

Huwelijken en kinderen
In zijn eerste huwelijk (795) was Lodewijk getrouwd met Irmingard. Ze hadden een goed huwelijk en Irmingard had een grote invloed op haar man. Zij kregen de volgende kinderen:
  • Lotharius (± 795-855), koning van Italië, volgde zijn vader op als keizer en werd koning van het Middenrijk
  • Pepijn (± 797-838), koning van Aquitanië; hij stierf nog vóór het Frankische Rijk in 843 met het Verdrag van Verdun definitief in drie delen werd verdeeld
  • Rotrude (± 800-?), gehuwd met Gerard van Auvergne
  • Bertha, waarvan het geboortejaar onbekend gebleven is
  • Hildegarde, (± 802/804 - 857), tweede echtgenote van Gerard van Auvergne, abdis van Notre Dame en Saint Jean te Laon, steunt Lotharius tegen Karel de Kale
  • Lodewijk (± 806-876), koning van Beieren en na 843 van het Oost-Frankische Rijk.
Na het overlijden van Irmingard is Lodewijk op aandrang van zijn edelen hertrouwd. Na een soort schoonheidswedstrijd trouwde hij 1 februari 819 te Aken met Judith van Beieren. Zij kregen de volgende kinderen:
  • Gisela (ca. 820 - 874), getrouwd met Eberhard van Friuli
  • Karel de Kale (13 juni 823 - 6 oktober 877), koning van het West-Frankische Rijk
  • een onbekende dochter.
Bij zijn minnares Theodelinde van Sens had hij de volgende kinderen:
  • Alpais, (ca. 794 - 852), getrouwd met Bego van Toulouse
  • Arnulf, (geb. 794), graaf van Sens en bondgenoot van Lotharius.